|
|
|
| | | | | |
Het land.
I. Eufrozyne aan Emilia.
Den 3 Decemb.
17-
Nog zegen ik, lieve Emilia! het gelukkig oogenblik dat ik mij zoo toevallig bij u bragt - en mij teffens
het gevoeligst hart deed kennen. Uwe aangeboden vriendschap is mij een onwaardeerbaare schat. -
Telkens voel ik, met een stille vreugde, mijn geluk. - Uw beeld is mij steeds voor oogen. Als ik 's
morgens ontwaak, is mijn eerste gedagte: Emilia! En dan dank ik de Voorzienigheid, die mij een
lieve gezellin, op het pad des levens, in u deed vinden. Uw edel karakter ontvonkt mijne liefde tot de
deugd. Uw | | | | voorbeeld bestierd mijne daden. De neiging tot vriendschap ontwikkelde zig, met
mijne zielvermogens; zij groeide aan, met het toeneemen van mijne levensjaren: en tegenwoordig, is
eene vriendin eene onontbeerbare behoefte voor mijn geluk. - De naam van vriendschap alleen heeft
een aangename welluidendheid in mijne ooren, en hare beoefening is de adem van mijn leven
geworden. Zij geeft het ware zoet aan allen aardschen wellust. Zij bereidt den zagtsten troost, in alle
rampen van dit leven. - Een traan, dien de vriendschap over ons lot weent, is balzem in de wonden
des harten. Een boezem open te vinden, waarin de volle ziel zig uitstort, geeft de aangenaamste
verruiming.
Wees zonder vriend, hoeveel verliest uw leven!
Wie zal uw troost en moed in rampen geeven?
Verblijd zijn als uw heilzon straalt?
Wie deelen in uw voor en tegenspoeden;
U in den nood, door trouwen raad, behoeden?
U wederhouden als gij dwaalt?
Zingt onze waarde Gellert. Aan de hand der vriendschap valt het ligter, de doornige paden
des levens te doorwandelen: en daar ze voordspruit uit overeenstemming van zielen; daar ze door
deugd en godsdienst gevoed word, - daar zegenpralen hare ge- | | | | noegens over alle de
wisselbaare goederen der wereld. - Eer en schatten kunnen ons door kleine toevalligheden ontroofd
worden: maar de ware vriendschap groeit in den nood. - De dood kan vrienden scheiden; maar de
vriendschap zelf duurt tot in het ander leven. De weenende afscheidsgroet bij de veege sponde, is
slegts voor weinige oogenblikken - en zal door eeuwen van zaligheid, in dien oord, waar volmaakte
liefde en vriendschap wonen, achtervolgd worden. Daar rollen nimmer tranen. Daar scheiden geen
trouwe vrienden. Daar zal de naauwste vereeniging een altijdvloeiende bron van hemelwellust
wezen!
Daar smaak ik eerst een vriendschap zonder smetten,
En, bij 't geluk van ze eindloos voord te zetten,
Zal ik verhoogd haar recht verstaan.
'k Zal eeuwig daar haar heil geheel ervaaren,
Verheugd zijn, dat wij zoo gelukkig waaren,
Van vroom te saamen om te gaan. *)
Geeft de korte duur van eenig genoegen altijd kwelling, die het gevoel van deszelfs waarde
vermindert: het verwondere u dan niet, mijne vriendin! dat ik, in de bestendigheid van een geluk,
wiens kragt ik levendig gevoel, - | | | | ook mijne blijdschap zoo duurzaam als haar oorzaak zoek te
maken.
En is het edel oogmerk der vriendschap - elkander gelukkiger te maken; is dat geluk gelegen in de
verbetering van onzen geest; die niet geschapen is, om eenen kleinen kring van vlugtige jaren, op dit
toneel der onvolmaaktheid, te schitteren; maar alleen om hier die gesteldheid te verkrijgen, die hem
vatbaar maakt voor de eeuwen van geluk: o hoe groot is dan de taak, die de vriendschap ons
oplegt! Ontijdige beschroomdheid - kwalijk geplaatste tederheid, - schoonschijnende hoogmoed, -
zal ons dan niet moeten hinderen in het mededeelen en ontfangen van vermaningen, afkeuringen, of
raadgevingen, waar toe het hart zig verbonden voelt. - Laat ons in onze vriendschap deze
grondregelen altijd volgen! - Laat derzelver tederheid en vastigheid de dwaling vernietigen, dat de
vriendschap onder onze sex geene duurzaamheid kent.
Maar, lieve Emilia! daar ik thans van u afgescheiden leef, en nochtans mijn geest met u werkzaam
wil houden - verwagt ik telkens brieven van u, die mij zoo wel uwe gedagten mededeelen, - als ze
mij verzekeren, dat gij in de vriendschap van Eufrozyne, gelukkiger zijt dan te voren.
Och Emilia! dat gij ook het Landleven in dit akelig saizoen verkiest, daar ge, onder de | | | | schaduw
van het vriendendak, zulk een gerust leven, naar uwe verkiezing kont leiden! - Mijn moeder zou zig
gelukkig rekenen met zulk eene huisgenote! - Ik heb medelijden met uwen smaak; niet om dat ik
dien laag vind, maar om dat die u, naar mijn oordeel, ongenoegens oplegt, die ik u ontnemen wilde.
Of heeft de winter op het Land aangenaamheid? Verveelt u die doodelijke stilte niet? Behoeft gij
geen menschen tot uw geluk? Hoe slijt gij de winterdagen? Door de beantwoording dezer vragen
zult gij het hart verligten van uwe
Eufrozyne.
|
*)Gellert in zijn Ode op de
vriendschap.
|
|