|
|
|
| |
VIII. Emilia aan Eufrozyne.
Den 26 Jan.
17-
Was het uw oogmerk, lieve Eufrozyne! uw vriendin in haare eenzaamheid te doen lachen? Dan is het
gelukkig bereikt door 't geestig verhaal van uw adelijk diné. Terwijl de schoone trekken van uw edel
hart in dit, en het ander deel van uw' brief, mijne achting en vriendschap, zoo 't mogelijk is, nog
hooger deden rijzen. Ja wel hebt gij 't geraden in 't slot van uw' lieven brief; ik verhef | | | | het
geluk van mijne eenzaamheid, doch noem het geen verwijzen, maar - begunstigen van het lot, - en
op dit oogenblik gevoel ik 'er het zalige van. Het is nu bijna middernacht; de geheele avond is mij
een oogenblik geweest; eer ik na bed ga, moet ik u getuige maken van mijn stil, geheel ernstig
genoegen. Terwijl de stadsche jeugd zig vermaakte in vrolijke gezelschappen, terwijl mijne
Eufrozyne mogelijk zig bij eene harer vriendinnen gelukkig gevoelde, zat ik van alle uitwendige
vreugde afgezonderd, bij het helder lamplicht in mijn lieve schrijfcel. Het was doodstil, zoo dat ik de
stilte kon hooren; het loeien van eene of andere koe in de stallen mijner buren; het knetteren der
raderen van eenen t' huiskomenden boer; het koude voorspellend knappen van het vuur; het gieren
van een uil in de boomen; of de snorkende adem van Rozet, brak haar alleen bij tusschenpozen af.
Maar het tikkend uurwerk ging onophoudelijk zijn gang; dit bepaalde mij bij den rusteloozen
voortloop des tijds; - ik hoorde de oogenblikken snellen; ik dagt op mijn vervlogen leeftijd, op de
onzekere volgende jaren; en mijn geheel leven scheen mij slegts de droom van een oogenblik. Mijn
peinzende, door niets afgetrokken, ernst drong dieper door, tot het oogmerk van mijn leven, tot den
staat, waar toe ik na verloop | | | | van eenige voortsnellende jaren, of maanden zal overgaan. Ik
herinnerde mij eene meenigte voorbeelden van vroeggestorvene bekenden, wier eeuwig lot, schoon
onbekend voor de overblijvenden, door God nogtans onherroepelijk beslisd is. Juist terwijl ik met
deze gedagte werksaam was, gaf mijn uitgaande lamp, wiens verzwakkend licht ik niet bemerkt had,
mij een levendig afbeeldzel van mijn volgend lot. Zoo, dagt ik, zal mijn levenslamp, als de
groeisappen die het lighaam voeden, verteerd zijn, eens worden uitgeblust in zwarte donkerheid. Ik
verbeelde mij een menigte van menschen, die nu, - nu op dit oogenblik, - in onderscheiden
wereldoorden, den laatsten adem uitbliezen; ik vertegenwoordigde mij een geheele reeks van
onderscheiden sterfbedden. Eerstgeborene kinderen; wier pas begonnen leven geëindigd werd,
gelijk een bloemknopje dat bij de eerste ontluiking reeds verwelkte; - jongelingen in het vleijendst
tijdstip, te midden van hunne gegrondste vooruitzichten - nedergeveld; - mannen in de kracht van
hunne dagen afgesneden; waggelende grijzaards, die hun stervend leven, met den doodslaap
verwisselden; - dezen kwamen mij allen voor den geest. - Ik stelde mij hen voor, in hunnen al, - of
niet - bereiden staat, - ik zag dezen als een vriend; dien als een vijand | | | | van God, het
voorportaal der eeuwigheid verlaten; - Ik voelde met eenen onuitdrukbaren eerbied de
regtvaardigheid, en wijsheid van Hem, wiens Eeuwig raadslot, het lot der stervelingen verzegeld. Ik
bleef eenigen tijd in het donker zitten: mijn denkvermogen breidde zig uit, nu er meer zintuigen stil
stonden, en verbeeldde mij eenigsins den staat der afgescheiden geesten, die door geene zinnelijke
voorwerpen in hunne werkzaamheid gestoord worden; ik verbeeldde mij het ontzachlijke van dien
staat, voor menschen, wier levenswijs hier op aarde hun geene vrolijke denkstof in de eeuwigheid
heeft overgelaten. - Wat toch zal den vriend van de wereld, en de zinnelijke genoegens, voor wien
hier eene ernstige gedachten een ondragelijke last was, in de eeuwigheid bezig houden, daar hij van
alle zijne geliefde vermaken berooft, alleen - denken zal? - Denken, ja, op de genotene wellusten
van dit leven; maar welkers herinnering hem in eene wereld, waar hij ze allen mist, niet dan
jammervolle kwelling zal baren: alle de goedheden van God door hem met ondankbaarheid
beantwoord; - de genadetijd door hem te dwaaslijk verspild, en nu - voor altoos afgesneden: deze
en zoo vele andere dingen, die hij voorheen in eene gedurige verstrooijing voorbijzag, zullen daar
tegen wil en dank, zijne ongehin- | | | | derde aandacht boeien, hier leidde hij het geweeten
stilzwijgen op; maar daar zal het spreken, - met een ontzachlijke zieldoordringende stem - die het
naberouw en de wanhoop bij uren zal doen aan groeien. - Welk een treffend spoor gaf mij dit
zielroerend tooneel, om met blakenden ijver, voor de eeuwigheid te leven, om reeds hier die maat
van wijsheid, van geloof en deugd te verkrijgen, die mij voor dezelve kan rijp maken. - Zulk eene
ziel zal, ontslagen van het zinnelijk, het zwak, of pijnelijk lighaam, dat haar hier zoo dikwils hinderlijk
was, het zalige van haare vrije onbenevelde werkzaamheid, met verrukking gewaar worden; - zij zal
hare geliefde onderwerpen onverhinderd bepeinzen; - hare zonden herdenken, als verzoend door
haren Verlosser; - de verloren genoegens van dit leven niet beweenen, - en door de herinnering van
voorbijgelogen jaren van verdriet geen lijden voelen. - Zij zal zalig zijn, in genot en in verdere
verwagting. Zeker de staat der afgescheidenheid heeft iets ontzettends, om de onzekerheid van het -
hoe van ons bestaan: maar 't onfaalbaar woord van God, dat de dooden bij hun sterven reeds zalig
spreekt, is een waarborg voor des Christens geluk, en moet een spoor van deugd voor ijder wezen. | | | |
Mijne ziel, toen geheel ernst, vond in alles voedzel voor hare neiging: straks luisterde ik naar
het gekraai der hanen, die elkander beantwoordden, zoo ver mijn gehoor strekte; en aanstonds
dacht ik aan 't gene onze Haagsche Guldenmond van dit dier zingt:*
Hoe? geeft de slaapzucht geen gehoor?
Kon, door 't gekraai in Petrus oor,
Dien grooten Leeraar leren,
Hoe kwalijk hij ten hove voer,
Hoe valsch zijn tong Gods zoon verzwoer.
't Was tijd van daar te keren.
Dit leidde mijne gedachten tot den akeligsten, maar tevens zegenrijksten nacht, die ooit de aarde
bedekte, - dien nacht toen de Heiland leed, en dit getrouwe dier aan zijnen afgedwaalden lieveling
zijnen diepen val herinnerde. Ik verbeeldde mij de smert die de ziel van dezen dissipel folterde, om
dat hij het lijden van den besten Meester, weldadigsten der menschen, zoo schandelijk, zoo laag,
zoo ontrouw tegen de trouwhartigste waarschuwing aan, vergroot had; ik verbeeldde mij het gelaat,
waar mede Jesus hem aanzag, en hoe die ogen vol ernstige bestraf- | | | | fing, maar tevens vol
vergevende liefde zijne schuldige ziel moeten gewond hebben; en - toen - ja nog lang daar na, edele
tranen, uit gemengde hartstogten, hebben doen vloejen. - Ik stak toen de lamp weer aan, en las in
den onvergelijkelijken Klopstok, dit zoo allertreffendst geschilderd stuk; - ik bewonderde
de kunst des onsterfelijken dichters, die mij niet slegts iets deed gevoelen van 't geen Petrus voelde,
en tranen deed storten om zijn weenen, maar ook mijn hart deed gloeien in waare liefde tot mijnen
Zaligmaker. Ik zag de zwakheid van mijn ligtverleid hart dat zoo dikwils, helaas! Petrus door daden
navolgt, en werd beschaamd; ik hoorde zijne vriendelijke nadrukvolle vermaning: ‘Waakt en
bid, op dat gij in geen verzoeking komt ’, en mijn gehele ziel werd ootmoed, liefde, en
aanbidding. - Zie daar mijn vriendin! u mijn genoegen medegedeeld; en het nog eens genoten. Nu
verlang ik naar de rust, het is meer dan één uur na middernacht. - Vaarwel! leef zoo gelukkig als
Emilia.
|
*Vollenhoven
Kruistrompf en Gez. bl. 56.
|
|