|
|
|
| | | | | |
IX. Eufrozyne aan Emilia.
Den 2 Feb.
17 -
Hoe genoeglijk heb ik dezen avond bij mijne moeder doorgebragt! Ik heb haar uw' laatsten brief
voorgelezen: zij was, niet minder dan ik, daar door geroerd; en toen ik geheel met uw onderwerp
was ingenomen, gaf het aandoenelijkst tooneel aan mijne, toen geheel voor ernst vatbare, ziel,
eensklaps nieuw voedzel. Ik hoorde een dommelend geluid van zagtjes voortgaande koetzen. - Het
was een lijkstatie. Wijl ik die altijd gaerne zie, en nu vooral, ging ik naar een donkere kamer, en zag
den statelijken trein met zekere eerbiedige ontroering: - en vorderen dit de dooden niet van de
levenden, wier toekomstig lot zij prediken? De wapendragers traden vooruit. De doodaankondiger
volgde, met twee in diepen rouw gekleede jongelingen, die, in eene weenende gedaante, met een
statelijken tred, voor den dooden henengingen. Na dezen kwam de nagtlijke lijkkoets; twee met
zwart laken tot den grond | | | | toe behangen paarden trokken haar langzaam en met
zwaarmoedige stappen voord. Het breede rouwkleed dekte de doodkist. Eenige zwartgekleedde
dragers hielden de ruime slippen vast. Een lang gevolg van koetzen, met vrienden en bekenden,
geleidde dezen dooden naar het stille graf. Een plechtig zwijgen was algemeen, en het dof gedreun
der langzaam voortrollende raderen, gevoegd bij het schemerend licht der fakkels, vergrootte de
beklemmende statelijkheid van dit ernstig tooneel. Ook die mensch gaat heenen (dagt ik) naar zijn, -
of haar eeuwig huis! Mijne onzekerheid van het reeds besliste lot dezes onbekenden deed een
huivering over mijne leden gaan; mijne verbeelding volgde de lijkstatie; ik zag, bij het onzeker licht
der dwalende fakkels, de verzamelde dooden in den ruimen grafkelder, met een zwaarmoedige orde
nederliggen, en ook dezen dooden daarbij gedragen. Ik hoorde het hol geluid der nedergezette kist,
en dagt, bewogen met het lot van mijn natuurgenoot, daar word nu een mensch, die mogelijk voor
dezen van de zijnen geliefd was, het verblijf der levende onwaardig gekeurd, en aan de verrotting
overgegeven! Dit is de laatste eer, voor een voorwerp, dat eerlang afschuwlijk wezen zal; het wordt
niets gewaar van al die pracht, waar mede men het naar den kerker voert. - Deze aanzienelijke
wordt zoo wel een prooi des | | | | verderfs, als de veragte bedelaar, dien men in stilte onder de
aarde delft, en door geen kunstige tranen beweent; beide zinken zij nêer in de plaatze der
vergetelheid. - Maar hoe akelig werd ik, toen ik vernam wie deze doode was. - Geen persoon die
beroemd was door menschenliefde; geene tranen van droevige beweldadigden zullen op haren zerk
rollen. Zij was eene vrouw van rang en aanzien, maar met de kruipende ziel van een bedelaar
geboren; zij bezat een ruimen schat, maar de arme daglooner was rijker dan zij. Haar liefste
bezigheid was te woekeren, om meerder schats, en door het lijden van gebrek haren overvloed te
bezuinigen. Zij dagt aan geen dood, geen agterlaten van alles, aan geen leven na dit leven; het werd
haar wel door den waggelenden ouderdom herinnerd, maar voor die stem was zij doof. - In deze
gesteldheid stierf zij, niemand ten minste, heeft bemerkt, dat zij tot betere gedachten gekomen is. En
is dat zoo, wat moet dan zulk een ziel gevoeld hebben bij haren overgang in de eeuwigheid, op dat
oogenblik, toen haar alles, - alles ontzonk! Uw ernstige brief doet mij dieper denken; hoe veel
ongelukkiger zal haar daar de nagedagte van een zoo kwalijk besteed leven maken: met welk eene
verachting moet zij nu op hare bedrijven terugzien, nu zij de oogmerken van haar aanzijn en van
haare aardsche bezittingen inziet, zonder het ge- | | | | dane te konnen herdoen! Mijn geheele ziel is
aandoening. Was het zulk een medelijdenswaerdige niet beter geweest, dat zij nooit geboren was?
Hier was dit arm schepsel reeds ongelukkig, zij had geen genot van haar goed: de aardsche zegen
was haar een vloek; zij leefde van elk veracht, en haar dood is de blijdschap der erfgenamen. Dezen
weeten haar geen dank, voor al de verzamelde schatten. - Men bewijst haar in schijn de laatste eer,
terwijl men haar in zijn hart veracht; men brengt een lijk naar 't graf, waar voor men gruwt; het geluid
der dalende kist is wellust voor hunne ooren; de armen vloeken, de rijken bespotten haar, de
Christen alleen wijdt haar eenen medelijdenden traan, en wie zou zonder medelijden haar veragten
kunnen, die door een onherroepelijk berouw gefolterd wordt? O! zonde, hoe sterk is uwe
heerschappij! ook wij, met de zaden van allerlei ondeugd geboren, hadden zoo dwaas konnen zijn,
en der goddelijke bewaring zij alleen de roem, dat wij 't niet werkelijk zijn. Deze gedachte zal mij
altijd hoeden voor een ijdele zelfsverheffing, en mij met ontzag, doen luisteren naar de stem die uit
hun graf klimt. ‘Het goet doet geen nut ten dage der verbolgenheid, maar de geregtigheid redt
van den dood.’ Aan zulk eenen ernstigen brief zult gij naauwlijks uwe Eufrozyne herkennen;
doch, hoe zeer ik anders de vrolijk- | | | | heid bemin, gevoel ik in dezen gemoedstoestand iets
ontzachelijk aagenaams. Hoe kan ik dikwils zoo onbedagt vrolijk zijn, in eene wereld daar mij
dagelijks zoo veele dooden toeroepen: ‘ook gij zult sterven?’ o! Dat eens uw en mijn
einde dat der opregten zij! - Geheel uwe
Eufrozyne.
|
|
|