|
|
|
| | | | | |
XII. Eufrozyne aan Emilia.
Den 22 Febr.
17-
Zou ik mijne Emilia vergeten? hoe zou mij dat mogelijk zijn! Neen, mijn moeder kan getuigen, hoe
levendig mij uw aandenken blijft, en mijn eigen hart verzekert mij, dat onze vriendschap
onveranderlijk is; maar eene lastige ongesteldheid, die wel niet gevaarlijk was, doch mij lusteloos
maakte, was oorzaak van mijn stilzwijgen. Ook had ik niets merkwaardigs u mede te deelen, en dan
weet gij immers onze afspraak? - Ondertusschen hebben mij uwe brieven een uitmuntend genoegen
verschaft; mijne verbeelding, mijn verstand, mijn hart, alles voldoet gij; - Onder 't lezen derzelve
voelde ik minder mijne tandpijn. Mijne verbeelding volgt u overal in uwe romaneske wandelingen na;
doch die laatste pelgrimaadje door de sneeuw, stond mij maar half aan. - Gij hebt in uw bevallig
vrouwelijk lichaam, een soort van een wijsgerige ziel, Emilia. Maar zeker heb ik om uwen
verregaanden rouw over 't verlies van een boom moeten lachen; ik mag immers wel? Het | | | |
komt mij wat al te gevoelig voor. Doch wat vermeet ik mij te oordeelen, over het dichterlijk gevoel
van een landlievend meisje. Ik zie alles door de nevelen van stadsche vooroordeelen. Als ik eenigen
tijd bij u ben, en naast u de fijner landlucht inadem, zal ik mogelijk gevoeliger ziel krijgen: wie weet,
of dan niet de dood van een blad mij treffen zal? Doch geen kommer vóór den nood; eene al te
groote gevoeligheid zal mijn vriendin, die dezelve met zoo veel verstand matigt, wel in mij tegen
gaan. Gij merkt dat ik mijne gezegde herroep. Uw eigen aanmerking over dien zelfden boom, maakt
mij beschaamd, en doet mij uw karakter als een gelukkig mengsel van edele deugden beschouwen.
In allen ernst, ik wenschte duizendmaal Emilia te zijn, ten minste uw bestaan te hebben. Want in
mijnen staat ben ik ook te vrede; het geluk is toch niet aan onzen stand, maar aan onze
zielsgesteldheid verbonden; de arme daglooner in een leemen hut, kan gelukkiger zijn, dan de heer,
dien hij bedient; of de vorst van wien deze mogelijk, de slaaf is. - Als wij dit vasthouden, is dan de
goede Schepper wel zulk een karig uitdeeler der geluksgoederen, als ons bij 't beschouwen der
onderscheidene rangen in de waereld toeschijnt? O met hoe weinig kan de wijze vergenoegd leven!
Zijn dankbaar gevoel, doet hem, 't geen hij heeft, geheel genieten. Dit doet gij in een afgelegen hoek,
op een dorpje, dat zoo onge- | | | | acht is van elk, als het rijk en schoon is, voor u. Gij zijt bij de
wereld onbekend, en daarom onaangezocht, en met u zelven vergenoegd; gij weet uwen ruimen tijd
en uwe gelukkige vrijheid wél te gebruiken. Uw lot is benijdenswaerdig. Hoe gaarne was ik eens bij
u; doch daar ik mijn lieve moeder zoo weinig als mogelijk is, het vermaak dat zij een dochter heeft,
verzwakken wil, stel ik het tot den zomer uit. Hoe klaar verbeeld ik mij u, met een ernstigen rimpel
in 't hooge voorhooft, met eenen deftigen gang, als een peinzende filozofe door het besneeuwde
bosch wandelende! Maar waar gij dan uwe levendige gelaatstrekken verbergt, begrijp ik niet: want
zoo ken ik u nog maar, en met een dagelijksche fijzionomij filozofeert het immers niet goed, doet het
wel, Emilia? Maar hoe veel onnodige bekommeringen voor iemand, die zig zelf zoo redden kan. Nu
ik stap er van af. Doe mij maar meer natuurbeschrijvingen, die door uwe pen getekend, (want gij
doet er wel niets af, denk ik,) dubbel schoon zijn. Nu, mijn beste vriendin, laat mijn vrolijke luim u
niet misvallen, en geloof zeker, dat gij de ware vereerster van uwe verdiensten vindt, in uwe opregte
Eufrozyne.
|
|
|