|
|
|
| | | | | |
XIII. Emilia aan Eufrozyne.
Den 26 Febr.
17-
Het is mij recht aangenaam, iets tot verligting van uwe pijn te hebben toegebragt; al had ik voor dat
genoegen, niet slegts de belaching van eene mijner grilligheden, maar van mijn persoon moeten
lijden, het was mij niet zwaar geweest. Ik ben blijde, dat de tandpijn uwe gewone vrolijkheid niet
verwoest heeft, die gesteldheid is te gelukkig, om zig zoo ligt te laten ontrooven; aan deze alleen
schrijf ik al den lof toe, dien gij mij toezwaait; het zou mij anders verwonderen, van een
boezemvriendin zoo ongunstig behandeld te worden; of is het wel liefderijk, dat gij al doet wat gij
kunt, om mijn arm hart hoogmoedig te maaken? welke lof is gevaarlijker, dan die van eene geachte
vriendin. Bestaat ondertusschen de nederigheid, niet in het ontkennen van goede hoedanigheden, die
ons geschonken zijn, maar in het ootmoedig en dankbare opmerken en gebruiken daar van; dan wil
ik, 't geen ik ontvangen heb, zoeken te gebruiken; en 't geen ik niet, dan in uw vriendschappelijk
oor- | | | | deel bezit, waarlijk pogen te verkrijgen. - Maar de toon van
dezen brief, zal wat ernstig op den uwen vallen; dus ga ik tot wat anders over. - Zeg nooit weer,
lieve Eufrozyne, zoo als gij in een uwer vorige brieven deedt, dat de landlieden ongevoelig en
kleingeestig zijn. Ik heb bij eenige derzelven, een allergenoegelijksten avond doorgebragt: ik bezogt
eenen boer, die met zijn braave vrouw, eenige minuten ver van mij afwoont. - Het was avond: de
lucht was helder en bezaaid met sterren: de volle maan scheen met een zwijgende majesteit op de
besneeuwde velden: ik vond op mijn eenzaam paadje, éénen enkelen boom, die, met de schuwheid
van eenen heremiet, hier reeds veele winters doorleefd had, een zwaarmoedige uil klapte zijne
nachtelijke vlerken in den top, en zijn beklemmend geloei wierd door de nagalm der stille velden
herhaald.

Ik zag, in deeze woning, het volmaakte tooneel van huisselijk geluk. Bladz. 72.
- Ik kwam aan de vreedzame hut, waar mijne eerlijke grijzen, met hunnen gehuwden zoon
en twee lieve kinderen, woonden, die zoo 't scheen erfgenamen waren van de deugden hunner
ouderen. Ik zag in deze woning het volmaaktste tooneel van huiselijk geluk. Hoe zal ik u die
bevallige en treffende eenvoudigheid beschrijven? - Een eerwaardige grijsaart zat in zijn leuningstoel,
in den hoek van den haart: zilvere lokken hingen op zijne schouderen; vergenoegdheid en deftigheid
waren op zijn gelaat geschilderd. Zijne | | | | vrouw wier duivenoogen, zagtaartigheid en opregtheid
teekenden, zat naast hem te spinnen. Hun brave zoon, had een driejarig knaapje op zijn knieën, dat
hij met al de trekken van vaderliefde op 't aangezigt, den naam van grootvader leerde stamelen. De
jonge vrouw op wier malsche wangen jeugd en gezondheid haare bloeijendste bekoorlijkheden
schilderden, had een kleinen jongen aan haren blanken boezem, wiens mollig handje dien, al
zuigende, streelde, nu en dan drukte zij hem, met de liefste benamingen, aan haar hart, en in haar
gelaat sprak een teder gevoel van moederlijken wellust. Het oudste kind verliet zijns vaders schoot,
en kwam, met die vrijmoedigheid, welke zo bevallig voor kinderen is, naar mij toetreden: deed mij
met een gelaat, dat onschuld en goedheid verried, vele vragen, die hem zijne grootmoeder ingaf: ik
nam hem op mijne knieën; een kleine verkwikking, die ik hem medebragt, was hem honderd
dankzeggingen waard; die ik garen alle missen wilde, voor een betoverende opslag van zijne vlijende
oogjes. Ik roemde het geluk dezer menschen, wegens zulke veelbelovende kinderen. De gulle
moeder verhaalde mij veel, met eene onschuldvolle vrijmoedigheid, van de geestigheid van haaren
Lubijn, zoo heete dit kind, en van den kleinen Doris: en dit gaf aanleiding tot een nuttig gesprek. In
welke opzigten, vroeg de oude vrouw, zou de Zaligmaker een kind ten | | | | voorbeeld gegeven
hebben aan zijne Discipelen? De grijsaart dagt, dat de nedrigheid van een kind, de deugd was die
Jesus leeren wilde; ik stemde dit toe, doch voegde er bij, of ook niet de nietskwaadsdenkende
eenvoudigheid, de onschuldige vergenoegdheid, en het kommerloos vertrouwen op zijne opzigters,
de beminnelijke eigenschappen zouden zijn, die Jesus in een waar Discipel vordert? en denkt gij dit
ook niet, Eufrozyne? Wij spraken hier over breeder, en mijne goede grijzen waren beiden zeer
voldaan met mijne gedachten. Het eene gesprek bragt het ander voort. Wij kwamen op hunne
lotgevallen. Zij verhaalden mij eene reeks van tegenspoeden, in vee of veld, die hunnen zielen nuttig
geweest waren, en hun vertrouwen geleerd hadden; zij herinnerden zich bijzondere stalen van Gods
bemoediging, verschooning, of redding; zij hielpen elkander voort, daar 't geheugen faalde, roemden
eindelijk de gunstige verandering van hunnen uiterlijken staat. O! welk eene zuivere Godsvrugt, welk
eene verborgene voortreffelijkheid des harten openbaarde zich in de eenvoudige, kunsteloze
gesprekken van dit huisgezin! Waarlijk Eufrozyne! mijn hart wiert daar door dieper getroffen, dan
door het schranderst betoog van een geleerd brein, dat niet zoo veel deugd betoont. De oude man
ging voort met verhalen van de dagen zijner jeugd: Hoe hij, bij nog frissche kragten het landwerk
verrichtte, | | | | dikwils door alles wat hij zag, tot het geestelijke wierd opgeleid, en schoon deze
verhalen wel wat langdradig waren, gaven zij nogtans wegens hare natuurlijkheid mij veel genoegen.
Er kwamen meer akkerbuuren; zij zetten zig met een gullen groet, en een houding die bewustheid
toonde, dat zij welkom waren, aan den berookten haart; het gesprek wierd toen algemeener,
evenwel voor mij nog leerrijk. Deze, had het van zijn koorn; die, van zijn vee; geene, van de prijs
der granen op de markt; een ander van zijn hoenderen en duiven, en in alle die gesprekken straalde
eene gelukkige vergenoegdheid door. Op mijne vraag, of zij altijd zoo wel te vrede waren, en nooit
onder den zwaren arbeid zugtten, gaf een van hun, wiens gelaat geen onbevallige trekken had, mij dit
rondborstig antwoord: - ‘Wel Juffer! wij hebben geen tijd om droevig te zijn; bij ons volgt altijd
het eene werk het andere op, en wij ontgaan al de zorg die ons drukken zou, als wij ledig
waren.’ - ‘Als een boer’ (hervatte een ander) ‘niet veel tegenspoeden heeft, is hij er
zoo kwaad niet aan. Hij heeft wel een lagen stand, dit is waar; en de steêlui zien hem dikwils voor
eenen lompert aan, maar wat schaad ons dit? Wij doen ons werk, en zien hem even onverschillig
aan. Wanneer ik op mijn land ben, en ik hoor van verre mijn melkvee loeien, uit hunne vette wei,
mijne paarden grinne- | | | | ken of mijne schapen blaten; of als ik onder eenen ouden lindeboom,
reeds voor honderd jaren, door mijn overgrootvader geplant, een middag slaapje houd, en mijne
beijen gonzen rondom mij henen, dan denk ik dikwils: o hoe god is God over mij! hij geeft mij kragt
tot werken; Hij zegent mijnen arbeid; Hij gaf mij dezen grond, deze bomen, die schuuren, dat alles,
en komt dan mijn vrolijk wijf, met onze kleine jongen aan de hand, mij wakker maken; dan spelen
wij met het aartig guitje, dan vragen wij dikwils aan elkander zou wel de Heer en vrouw van ons
dorp zoo gelukkig zijn als wij’?
Hier dagt ik aan uw gezegde in uwen laatsten brief, en aan het hoogduits versje van den freudigen
Bauer: ik weet niet, of gij 't kent, ik zal hier de vertaling van het zelve insluiten, die in het
Geschenk aan de jeugd van de Heeren Martinet en Van den Berg,
staat:*het stukje moet u bevallen, en uw
moeder kan het dan ook lezen.
Het gesprek ging op deze wijs voort, nu en dan liep er een vrolijke scherts onder; eindelijk scheidde
ik geheel voldaan van dit eenvoudig gezelschap. Hoe veel meer genoegen vond ik bij deze
gunstelingen der natuur, dan gij bij uwen adelijken gastheer. Zijn de boeren nu wel zoo stomp en
kleingeestig als gij dagt, Eufrozy- | | | | ne? Zeker zijn er weinigen die met fijn vernuft, of smaak
beschonken zijn; doch is hier geen wijsheid in? Indien zij alle Poot's waren, zou dit voor
hun huis, en de maatschappij, wel begeerlijk zijn? Daar zij nu met een matig vernuft beschonken, in
hunnen kring de nuttigste en gelukkigste menschen zijn. Zij zijn onafhangelijker dan de meeste
andere standen; en een godvrugtige boer, heeft duizendmaal meer gelegenheid dan een ander, om de
schoonste stalen van Gods Vaderzorg aan te treffen. Maar het wordt tijd dat ik deze eindig; ik hoor
de knegts van mijn buurman al dorschen, dus is het meer dan twee uuren na middernacht. Rosetjet's
snorkende adem wekt mijn slaaplust op; waarschijnelijk zijt gij reeds vergeten, dat gij slapen gingt.
Mij dunkt ik zie u zoo gerust nederliggen; mogelijk droomt gij van uwe Emilia. Nu droom voort,
vermaak u met uw denkbeeld als het zoet is, ons gehele leven is toch anders niet, dan eene wisseling
van treurige en blijde droomen. Eerst in de andere wereld, is er wezendlijk geluk, voor den Christen
gezaaid. Nu ga ik Gellerts avondlied nog eens spelen en dan, goede nacht
Emilia.
Nog één woord. Ik doe zoo even mijn glasgordijnen open, om het gelaat des Hemels nog eens te
bezien; nooit zag ik grootscher luchtverschijnsel. Het Noorderlicht vervult twee | | | | hemelstreken,
het westen en het noorden, met ongestadige glanzen. Hier, zijn vuurige vlammen, en pijlaren die zig
in een bloedroode wolk verliezen. Daar, zie ik bleeker stralen, die zig met een ontzettende snelheid
gedurig veranderen. Ginds schiet het bijna zoo vlug als de bliksem, en gelijk golven eener onstuimige
zee door de lucht, en flikkert nu hier, dan ginds, met meerder luister. Luister, ja majesteit heeft dit
verschijnsel! het maakt mij niet akelig, maar vervuld mij met eerbied voor Hem, die zijne lichten
uitzend door den ganschen hemel. Nog eens vaarwel. Het versje gaat hier bij.
De vrolijke boer.
Zoo blijde als ik, geloof me vrij,
Zijn nergens rijke menschen.
De rijken? - foei! ik schaamde mij,
Zoo 'k maar naar goud kon wenschen.
Het goud acht slechts een rijke zot;
Wie zal hem dat benijden?
Mijn veld is mij veel schooner lot,
Dat, dat kan mij verblijden.
| | | |
Zoo vaak ik vroeg, voor dag en daauw,
Gods zegen op het land beschouw;
In eenen schoonen morgen;
In 't veld, bij d'eersten zonnestraal,
Mijn schaapjes blij zie springen,
En in het woud, den nachtegaal,
Verrukkelijk hoor zingen;
Hoe in den vroegen uchtendstond,
Al 't dorpjen raakt aan 't leven;
En oud en jong, verheugd, gezond,
Zoo vaak zeg ik: o! God hoe goed
Zijt gij, in al u werken,
Den rijken geeft gij geld en goed,
Mij wilt gij 't lichaam sterken.
En dan is 't mij zoo goed om 't hart,
O 't is niet uit te spreken:
Geen arbeid, die, hoe zwaar, mij smart;
Mijn hand zou ijzer breken.
| | | |
Nog nooit heeft mij één zwoele dag;
Of kracht of moed benomen;
Hij zij zoo heet hij immer mag,
Hij moet ten avond komen.
En komt hij dan, o welk een vreugd!
Als vrouw en kindren springen;
En, in ons huisgeluk verheugd,
Zig om mij henen dringen;
Als ze all', met de onschuld in 't gezigt,
Zig om mijn tafel schikken;
En aan 't gezegend melkgerigt,
Zig koninglijk verkwikken.
En zingen wij dan inniglijk,
Gods lof met blijde tongen,
En is 't mij eveneens gelijk
Of de Engelen met mij zongen:
Dan zeg ik vaak, in 't hart vernoegd,
Heeft hij, die zijnen akker ploegt,
|
*Geschenk aan de Jeugd, 3 de D. bl. 96.
|
|