|
|
|
| |
XIX. Emilia aan Eufrozyne.
Zoudt gij mijne Eufrozyne, de vriendin van mijn hart zijn, en zou ik niet met al de tederheid der
vriendschap, in uw lot deelen? Ja mijn beste! ik gevoel uwe smert; ik, die in mijne hulpeloze
kindsheid reeds van mijne deugdzame moeder beroofd werd; wier edel karakter, mij niet dan bij
gerugten bekend is, verloor meer dan gij; doch gevoelde minder smerte, wijl ik mijn ongeluk niet
kende; en nogthans beween ik nu dikwils de onbekende beschermster van mijne onnozele jonkheid,
die ik, helaas! te vroeg verloor! en ik begrijp, wat een teder kind als gij, | | | | zoo gewoon aan de
moederlijke zorg en liefde, gewaar moet worden, in uw tegenwoordig ongeval. - Ik ween met u; ik
gevoel al uw lijden; maar kan ik niet meer doen, dan dit om mijn vriendin te troosten? O ja; ik kan
uwe edele tranen door den Godsdienst droogen. - Hij geeft balsem voor de diepste wonden; hij, die
uwe moeder gerust doet sterven, moet u leeren haar gelaten na te oogen. Is niet God, die uw, en
haar lot bestierde, wijs en goed? Zal hij u, bij 't verlies van uwe moeder, zijne algenoegzame
vaderzorg wel onttrekken? En past het eenen Christen niet om te berusten, in alle Gods daden, ook
dan zelf, wanneer hij daar in geene stralen van goedheid zien kan? Maar hoe helder schitteren die
hier! welk een voorregt voor u, eene moeder te bewenen, die eene erfgenaam des hemels is! Bij
haar doodbed een school te vinden van eeuwige waarheden! - Hoe leert gij de waarde der deugd
kennen, daar, waar een godlochenaar siddert! Waar een ijdele wereldslaaf wanhopig is, daar juicht
een Christen! Zij, die zoo lang uw hulp, uw leidsvrouw, uw voorbeeld was, verlaat u, om het loon
harer deugd te ontfangen! - troostvolle gedachten! De kinderliefde zelf, verbiedt hier het weenen; ten
minsten zij matigt de smert. Zoudt gij haar, wier doelwit was, u gelukkig te maken, haar geluk
misgunnen? Een geluk, dat voor de beste der christenen, nooit op deze aarde wort gevonden? en
vooral - heeft | | | | zij hier niet genoeg geleden? Wierd zij niet genoeg door zorgen en verdriet
bestreeden, om in Jezus armen voor zich de ruste te begeeren? Waarlijk Eufrozyne! zoo veel, ja veel
meer, dan het lot van eenen gelukkigen overwinnaar beter is, dan dat van eenen krijgsheld, wien het
gevaar van alle kanten omringt, zoo veel gunstiger, het lot is van eenen burger in zijn vaderland,
boven dat van den vreemdeling, die door wildernissen en doodsvalleien, zijnen weg vervorderen
moet, zoo veel is dat van een stervend christen verkieslijker, boven den staat van hem die noch in dit
traanendal zwerft. Zoudt gij dit overwegen kunnen, en nog het leven van haar begeeren, die wenscht
te sterven? - Zoudt gij om weinig droevige jaren minder te slijten de hare vermeerderen? Neen
vriendin! stel u haar lot in het zaligst licht voor; volg met uwe verbeelding, die ziel na, die hier op
aarde hare sombere dagen door kwellingen aaneengeschakeld zag, en verlangde naar den overstap,
in de ruime lucht der Eeuwigheid; bij den laatsten snik van 't gefolterd lichaam, houden pijn en lijden
op. Zij voelt zig geheel vrij, zij ziet op het afgelegde deel, als iets dat zij niet meer nodig heeft, dat ze
gerust aan 't verderf overgeeft. Jezus, wien zij op haar ziekbed met oogen des geloofs, aanzag, is nu
bij haar; op zijn bevel voert haar een Seraf bij al de zaligen. Daar vindt zij alle hare vrienden; daar
wordt zij van de engelen begroet; | | | | van Jesus verwelkomt; daar bemint, daar aanbid zij haren
getrouwen Verbondsgod, en roemt alle zijne daden wijs en goed! Zij ziet op het afgelopen leven te
rug, en het schijnt haar een droom na 't ontwaken. Dat haar hier lastig scheen, is het nu niet meer: zij
is het gevoel van droefheid in één oogenblik vergeten, door den aanvang van de eeuwen des geluks!
- met één woord zij is zalig! - Denk zoo, mijn Eufrozyne! aan 't lot van uwe moeder, en zoek zoo,
ziende op de uitkomst van hare wandeling, haar geloof en deugden na te volgen. Laat vrij uwe
kinderliefde gevoelvolle tranen op hare asche weenen, de Godsdienst verbiedt de aandoeningen der
natuur niet; maar denk dat de tijd eene, nu ongeneesbaare, wond allengskens heelen zal; en de
hevige smerte in eene aangenaame weemoedigheid zal veranderen. Denk vooral, dat gij, na eenige
verdrietige jaren, die als een schaduw zullen voorbij vlugten, uwe moeder zult wederzien, weder
omhelzen, weder genieten, om niet meer te scheiden. Gevoel van kracht van dezen troost, en geef
zoo ras mogelijk berigt van uw lot, aan uwe deelnemende
Emilia.
|
|
|