|
|
|
| |
XXIII. Emilia aan Eufrozyne.
Den 4 Meij
17-
Nu durf ik het naauwlijks wagen, u de schoonheid der geheele verjongde natuur afteschilderen. - Ik
zoek naar woorden, maar de taal der lippen is te arm om mijn gevoel uit | | | | te drukken; ik zie
te veel voor mij, om te kiezen waar ik mede beginnen zal. - Mijn Zorgenvrij is tans een
Eden. Waar ik ben, ik hoor muzijk, de boomen schijnen bezield, en elk takje een stem; de
uitwaseming van bloemen, planten, en boomen maakt de geheele lucht welriekend, en mijn verfijnde
reuk, ademt telkens nieuwen wellust in; waar ook mijne oogen dwalen, zij worden gestreeld door
een allerschoonst en zagt groen. Het lindenloof ontwikkeld zig geheel, en strooit zijne beschuttende
vliesjes rondom zig, hoe teder, hoe net, zijn die pasgeboren blaadjes! Geen takje, hoe klein ook,
hoe ook gezweept door de winterstormen, is van blaadjes ontbloot. - Hoe malsch is het groen der
veelbelovende koornvelden! De weiden zijn vol welig gras; ik zie duizenden van kruidjes en
bloemen, zoo verschillende in smaak als in kragt, en gedaante. De barre winter kon geen plantje,
geen zaadje, hoe klein ook, hoe toevallig nedergestrooid, doen sterven, wijl het de Almagtige
Behouder van alles beschermde. O! welk een bekorend gezicht! een aantal grazende melkbeesten
gevoelt hier, met een dierlijken wellust, de zaligheden der lente. Voor weinig dagen wierden zij uit
hunnen muffen stal geleid, en naauwlijks ademden zij de veldlucht in, of zij loeiden van vreugde, en
de echos, nog ongewoon aan deze toonen, weergalmden hun geloei van oord tot oord. De kalven
liggen | | | | gerust te herkaauwen, en de paarden draven door de weide. De bogtige beekjes, die
de velden doorsnijden, zijn vol, en vloeiën helder over de witte keitjes, terwijl de bloemen die den
oever versieren zig spiegelen in den kristallen vloed. De dartele leeuwrik vervult de lucht met zijn
muzijk; - strijkt dan eens op het klaverveld neder, - en stijgt dan weder, met eenen snellen vaart, al
orgelend naar boven. Op elke plant zweven diertjens; uit elke struik hoor ik lofstemmetjes; en de
nachtegaal, die hemelsche zanger, overtreft alles. Als ik s'morgens den dag begroet, dan zingt hij
reeds: - als ik s'middags den koelen lommer zoek, dan zingt hij weder, - des avonds verheft hij zijn
lied, - en de stille nacht luistert noch naar zijne roerende toonen. Wanneer dit rusteloos schepseltje
slaapt weet ik niet, maar dit weet ik dat ik dikwils om zijnen wil den slaap bekort. Ik kan naauwlijks
besluiten mijne rust te zoeken, tot dat ik eindelijk daar toe gedwongen word. Word ik s'nagts
wakker, het goddelijk lied van dezen zanger dringt in mijn slaapvertrek, en is nog treffender dan ooit
door de luisterende stilte! O! welke toonen! Hoe zagt smeltend! hoe melodiesch! maar wat doe ik?
u dien zang beschrijven? Neen; dit kan ik niet. Gij zult hem hier zelf nog hooren, en gevoelen wat ik
gevoel. - Ondertusschen kan ik u verzekeren, dat de kunst van den grootsten meester | | | | in de
zangkunde niets haalt, bij de toonen van dit diertje, dat geen oeffentijd verspilde, noch eenen
anderen onderwijzer had, dan zijnen grooten Schepper. Waar ik thans mijn voeten zet, zelf op de
dorre heide, vind ik schoonkleurige nette bloemtjes; overal hoor ik die stem: ‘loof den
Heere’! Bosch en veld, beek en bron, dal en heuvel, gaat mij voor, en de echoos verdubbelen
hunne toonen; op elk plantje lees ik: ‘hoe groot zijn Gods werken’! Elk diertje zegt mij:
‘hoe goed is mijn Schepper’! en mijn verstomde, aanbiddende ziel bezwijkt bijna onder haar
gevoel.
| |
Den 6 Meij.
Ik ben overrompeld door de verschillende schoonheden. Ik kan het binnen de muren niet houden;
met Kleist, dien schonen lentezanger in de hand, ga ik, even als de kapellen van de eene rustplaats
tot de andere. Nu bekoort mij de somberheid van 't boschje, dan het lommer van eene hooge linde;
dan zit ik aan den vijver, en zie hoe de visschen zig bakeren in de zonnestralen, dan bij de bloemen;
dan aan een beekje; en overal voel ik mij gelukkig, en denk aan | | | | een versje uit den
hartroerendenCroneck: ik schrijf het in 't neerduitsch:
Gelukkig hij die zonder zorgen
Het leven dat hij leeft, geniet,
Die, voor het nijdig oog verborgen,
Den tijd gerust verlopen ziet!
Hoe zalig hij, die, afgezonderd
Van 't wuft gemeen, in stilte leeft,
Zig zelven kent, Gods daan bewondert,
En na geen beter dagen streeft!
Dit laatste toch moet 'er bij komen; in God moeten alle onze vergenoegingen eindigen, of zij laten de
ziel ledig! Hoe klaar gevoel ik dit? Grooter genoegen, dan de eerst ontluikende lente aanbiedt, kan
mij de aarde niet geven; maar, vervuld zij wel alle mijne wenschen? Is niet dat gedurige vermaak in
de verwisseling, een blijk dat ik de volgende schoonheid voor nog voldoenender houde, dan de
tegenwoordige? En levert dit niet een duidelijk bewijs op, dat er een ijdel in mijn ziel overblijft, dat
door niets kan voldaan worden, dan door dat oneindig Wezen, het welk dien trek naar
volmaaktheid in ons gelegd heeft, en ter vervulling daarvan in Christus zijne volheid openstelt? Ja;
daar eerst vind | | | | de ziel die rust, welke zij overal zoekt. Het geloof aan Gods vaderlijke liefde
geeft ook aan de schepping eerst de ware schoonheid. Het gevoel hier van aan uwe zijde, is de
hartelijkste wensch van uwe
Emilia.
|
|
|