|
|
|
| | | | | |
XXXI. Eufrozyne aan Elize.
Den 22 Junij.
17-
Dat gij, lieve Elize! mijne moeder nu en dan bezoekt, haar mijne brieven hebt voorgelezen, mij hare
groete en eenige regelen uit haren mond overzendt, dit alles heeft mij een onuitsprekelijk genoegen
veroorzaakt; ik dank u hier voor. Ga voord met dus de ziel van uwe vriendin te verkwikken, die, in
het midden van haar stil en vergenoegd leven, de waarde van hare Elize blijft gevoelen. Maar nu, gij
wildet meer van onze vriendschappelijke landvermaken weten? wel aan; dat is juist naar mijn hart.
Gisteren deden wij, na ons avondmaal, nog eene lieve wandeling; de half verlichte maan stond, met
eene stille majesteit, in de helderblaauwe lucht, haar kwijnend licht gaf eene zagte vrolijkheid aan de
geheele natuur; zij spiegelde zig in 't beekje, waar langs wij traden; en daarze door de bevende
bladeren henen scheen, vormde zij verscheidene vreemde en dikwijls veranderde verschijnsels, op
de stille eenzame paadjens. Wij zongen een liedje aan de Maan, zo ik geloof uit haar eigen hart
geboren. | | | |
Aan de maan.
Hoe vriendlijk zijn uw bleeke stralen
O lieve, zagte, schoone Maan!
De doodsche nacht verlaat de velden,
Als gij het stil gehucht beschijnt.
Het statig bosch, het ruischend beekje
De steile heuvel, 't bogtig dal,
't Bemoste hutje half beschaduwd,
't Word alles schooner op uw komst.
't Gevoelig hart word, op uw aanzien,
Vertedert. - De ernst des wijzen groeit.
Het weenend oog schreidt zagter tranen
Als gij het troost in 't ongeluk.
Gij straalt in 't rustvertrek des kranken,
Die slaaploos woelt op 't kwijnend bed;
Gij kort zijn bange lijdensnachten
Uw blij gelaat verkwikt zijn ziel.
U roemt de reiziger weldadig,
Als gij zijn eenzaam pad bestraalt,
Als hij, bevrijd van vrees voor dwalen,
Het prachtig schoon der schepping ziet.
| | | |
In u, ô Maan! gaf mij mijn Schepper,
Op aarde vreugd; - doch 'k hoop verrukt,
Niet enkel u geleenden luister,
Maar eens uw eigen schoon te zien.
Toen wij dit gezongen hadden, wandelden wij voord, de nachtegaal zweeg, de diepste, de plegtigste
stilte heerschte. Een smal en bochtig voetpaadje, dat midden door het kreupel bosch liep, bracht ons
bij een kleine verzameling van eerwaardige Eiken, wier stam en takken digt met mosch begroeid
waren. Bij dat gezigt bevong mij een zekere huivering; hier scheen de sombere ernst te wonen! Ik
trad er, schoon schoorvoetende, onder, wanneer een zwaarmoedige nachtuil, door 't klagen van zijn
benaauwend lied, mijne beklemming deed toeneemen; een huiverend windje mompelde in de toppen
der boomen. Er stond een bank van zoden, waar op wij gingen neder zitten. Een groote witte steen,
die door een treurwilg wierd beschaduwt, lag tegen over ons. Ik zag eenige graveersels daar op,
maar konze, bij het zwak en gebroken maanlicht, niet onderscheiden. Emilia zeide niets; ik vroeg
haar, met een geroerd hart, en eenen treurigen toon: waar ben ik hier, het schijnt een grafplaats waar
gij mij brengt? Ja, mijn beste! antwoordde zij, maar de grafplaats van eene toekomstige doode.

Het schijnt een grafplaats, waar gij mij brengt. Bladz. 172.
| | | | | |
Ik.
Ach Emilia! met welke treurige denkbeelden vervult gij nu mijnen geest. Zal dit uwe rustplaats
wezen, als gij voor Eufrozyne niet meer zijt? - Waarom maakt gij mij nu droevig, door mij te
herinneren dat die tijd eens komen zal? Geen wonder, dat een koude rilling mij beving, toen ik, hier
van onbewust, deze gewijde plaats betrad.
| |
Emilia.
Zij is, ja! gewijd aan de nuttigste overdenking. De zagte treurigheid, voedende schemering, en het
nadenkenwekkend Maanlicht vinden mij hier dikwils peinzende. Hier verbeeld ik mij, wat ik, al
haast mogelijk, worden zal, en dit schilderij vind ik het sterkste wapen, tegen een te verre
gedreevene eigen- of schepselsliefde.
| |
Ik.
Maar maken u deze denkbeelden niet droefgeestig? De dood is toch de schrik der natuur: en hoe
weinig komt haar beeld te pas, bij de schoonheden, die u hier omringen!
| |
Emilia.
Niet zo weinig als het u toeschijnt; want de natuur zelf, die mij omringt, spreekt overal | | | | tot
mij van sterven en vergaan, zelfs nu reeds in hare pas ontloken jeugd. Maar dat het beeld des doods
mij nooit droefgeestig maakt, was te veel gezegt, doch als het dit doet, is het een blijk dat mijn hart
niet wel gesteld is, want de dood, waar voor de natuur schrikt, is voor eenen christen, de aanvang
van zijn waar geluk. Het grootste heil dat hij op deze aarde geniet is onvolmaakt, en met moeite
doorweven; zij is voor hem slechts een land van vreemdelingschap, waar in hem duizend zorgen
kwellen; waarin ontelbare, dikwils betreurde zonden, hem telkens tranen kosten. Zou zulk een
mensch dan zijne verlossing niet vrolijk tegen zien? zou hij niet snakken naar de zaligheden, voor
hem aan de overzijde des grafs bewaard? - Hoe roerend drukt zig de vrouw van
Schaffelaar hier over uit.
Slechts een slaaf der lusten schildert,
U zoo vreesselijk, zoo wreed;
Hij die gansch verlaagd, verwilderd,
Van geen angst of tranen weet.
Mild en vriendlijk komt gij tegen,
't Bloedend hart; - O dood! hoe streelt,
Arme strijdren, op hun wegen.
Menigmaal uw vreeslijk beeld.
| | | |
Gij voert hen in stiller streken;
Hier gaanze onder 't kruis gebukt;
Hier zijnze onder 't pak bezweeken,
Dat hun zwakke schouders drukt.
Zij gebruiken schild - noch wapen,
't Hoofd is hun van 't schreien warm.
Ach! en onbekommerd slapen,
| |
Ik.
Ja; als wij een welgegrond vertrouwen mogen hebben, op hem, die graf en dood overwon, dan
zeker vreezen wij haar niet; maar....
| |
Emilia.
Maar al heeft dat geen plaats; dan nog is de doodsgedachte wel ontzettend, maar toch nuttig. Want
hoe gevreesd ons deze stond zij, hij komt toch zeker, en wanneer? dat weet God alleen. Schaden
pijlen minder, die voorzien worden, hoe voordeelig is het dan, door een verstandig aandenken aan
den dood, en een waar geloof in Jesus Christus, zig tegen zijne verschrikkingen te wapenen.
| |
Ik.
Maar het graf heeft voor mij eene onoverwinnelijke akeligheid. Het denkbeeld: in dien don- | | | | keren
kuil moet ik eeuwen lang blijven liggen, daar moet ik verderven, en een afschuwelijk wezen
worden; dit denkbeeld is mij aller verschrikkelijkst.
| |
Emilia.
Ik beken, dat het graf, alleen aan die zijde beschouwd, voor een schepsel, waaraan de liefde tot het
leven natuurlijk is, een ondragelijk gezigt uitlevert; maar leert ons het geloof niet hetzelve uit een
aangenamer gezichtspunt beschouwen? Het graf, dat Jesus door zijne rust geheiligd heeft, kan
immers niet anders dan eene slaapplaats voor zijn volk zijn? Daar vindt het afgemat lichaam, zat van
bekommernissen en kwellingen, ruste. Daar houdt het beven der veroordeelden op: zij hooren de
stemme des drijvers niet meer. 't Is waar, het lichaam, wordt daar aan 't verderf overgegeven; maar
het wezendlijk deel, door Jesus bloed gekocht, zal, door zijne almacht, bewaakt worden, tot dat hij
over 't stof opwaakt, en het wederom in het leven te rug roept. Een Christen mag dus zijnen Heiland
nazeggen: ‘Gij zult mijne ziele in den doodsstaat niet verlaten, gij zult niet toelaten dat mijn vleesch
voor altijd de verderving zie;’
| |
Ik.
Uwe aanmerking overtuigd mij; gij beheerscht mijn verstand zo wel als mijn hart; reeds begin
| | | | ik in dit ernstig onderwerp genoegen te smaken; maar welk grafschrift staat op dezen zerk.
Ik kan het bij het maanlicht niet lezen.
| |
Emilia.
Het is een schoon gezegde uit Klopstocks Messiade.
Schlum're denn mein gefährt im erstem leben!
Saat von Gott gesät! dem tage der garbe zu
| |
Ik.
Waarlijk een schoon denkbeeld! zal het verderf van ons lichaam maar een rijpen zijn, voor de
opstanding, dan is het niet meer akelig!.... maar wat is het andere afbeeldsel? Het schijnt een kapel?
| |
Emilia.
Een kapel ja, die uit hare gevangenis te | | | | voorschijn komt, en onder dezelve een rups zo als
zij eerst was; niets in de geheele natuur geeft ons zulk een juist afbeeldsel, van de lotverandering der
lichamen, als dit diertje: eerst is het een wurmpje, het kruipt over de aarde, of op eenen boom; het is
in gevaar van vertrapping; het weeft zig een celletje, waarin het eenigen tijd, als in eenen
ongevoeligen slaap doorbrengt, - tot dat het, met vleugelen voorzien, als een schoone kapel te
voorschijn komt, de lucht met fraaigekleurde wiekjes klieft, en zig van de eene plaats tot de andere
begeeft. Zullen niet zij allen, die in Jezus ontslapen zijn, een diergelijke verandering ondervinden?
Hier dragen zij een zwak, onaanzienelijk, behoeftig lichaam om, dat met een logge traagheid aan de
aarde verbonden is. - Dit lichaam gaat eens in eenen ongevoeligen doodsstaat over; - jaren en
eeuwen blijft het in denzelven; maar in den morgenstond der verrijzing zal, uit dit verachtelijk stof,
een schoon, edelgevormd, heerlijk, onsterfelijk lichaam te voorschijn komen; een lichaam, dat, niet
meer aan de aarde gehegt, met de snelheid van het licht, met de vlugheid van een seraf begiftigd, van
het eene deel der Schepping tot het ander voord zal ijlen; - dat aan het lichaam van den
verheerlijkten Verlosser gelijkvormig zal zijn. Hoe zalig is onze verwagting!
| | | | | |
Ik.
Zekerlijk zal het tooneel van Gods almacht in dien morgenstond onbegrijpelijk grootsch zijn!.... als
op die geduchte stem: ‘Gij dooden staat op!’ de graven der kerkhoven, en de grafkelders van
de grooten der aarde zich zullen opensluiten, als de peillooze zee millioenen, door haar verslondene
lijken, op het strand zal werpen; - als de afgronden uit hunne diepste schuilhoeken, de bergen, uit
hunne ingewanden, de dooden die zij in zich beslooten, zullen opgeven; en deze allen zullen leeven!!
Alleen het geloof aan eene onbegrensde macht, kan hier de zwarigheden der reden beantwoorden.
| |
Emilia.
O hoe wonderlijk zal die ontwaking zijn, na zulk eene lange sluimering! - hoe akelig voor hun, die
opstaan tot eeuwige afgrijzing! - dog dit dieper door te denken, zou meer moed vereischen dan wij
bezitten. Maar hoe vrolijk voor hun, die in hope gerust hebben! Wat zal de ziel, die reeds eeuwen
lang zalig was, gevoelen, als haar eertijds geliefd lichaam, ook deelt in haar heil! Wat zult gij, wat zal
ik, gevoelen! Hoe zullen wij, al waren onze graven in onderscheidene wereldöorden, elkander te
gemoed ijlen! en in elkanders omarming, nieuwen | | | | wellust gevoelen, dat wij herleven! Hoe
zullen wij, met verrukking, de lotwisseling van ons eertijds verderfelijk lichaam zien! ons de scheiding
in het vorig leven herinneren! maar met geen andere tranen, dan die der dankbaarheid en vreugde;
om dat er dan geen scheiding meer wezen zal! - Wij zullen elk de zalige beminden onzer zielen
zoeken, onze ouders, onze broeders, en zusters, onze vrienden, en telkens aan hunne zijden met
vernieuwden wellust gevoelen, dat wij zalig zijn!
| |
Ik.
O! hoe roert gij mijn hart! Het graf van mijne Emilia moet ook het mijne zijn; één zark moet ons
beiden dekken, terwijl de sombere treurwilg, dien de natuur leerde weenen, op onze sluimerende
asch zijne ruischende bladeren laat hangen. Dan zal één oogenblik, bij onze verrijzing ons beide zalig
zien!
| |
Emilia.
Welk eene sombere wellust gevoelt mijn ziel! Zoo zullen wij, vereenigd in ons leven, ook in den
dood, ook in de eeuwigheid niet gescheiden worden. Zalige vriendschap, die op eene eindeloze
duurzaamheid hopen kan! U, liefderijke Jezus! hebben wij dat geluk te danken! Gij | | | | daalde
in het graf, gij verreest, om ellendige menschen deelgenoten te maken, van alle zaligheden waar voor
hunne natuur vatbaar is.
| |
Ik.
Hoe verstommend is die waarheid: Jezus, de Vorst des levens stierf; - stierf aan een kruis, - zonk
neer in het gebied des doods, om ons een eindeloos en heerlijk leven te bezorgen!
| |
Emilia.
Maar die Heilige zag toch geene verderving. Als ik hier, tegen het vallen van den avond, met
Klopstock in de hand, nederzit; en zelf aan 't peinzen geraak, voert mij mijne verbeelding
wel eens naar zijn graf. Bij dat rotshol neergezeten, hoor ik boven het zelve de donkere Cijpressen
ruischen. Ik zie mijne verlatene lievelingen hopeloos omdolen; ik hoor, dunkt mij, in de
morgenschemering de nachtstilte afgebroken, door het hol gekraak der bevende rotzen. Ik zie den
luistervollen hemeling het hol openen; en, de gestorvene Jezus treedt levendig te voorschijn, met
eene zegevierende houding, en eene goddelijke vreugde op zijn gelaat. Met zijne verrijzing zie ik alle
ellende van mij weggevaagd, en mijne za- | | | | ligheid, in zekerheid gesteld: - dan, aanbid ik hem
vol gevoel, en noem God vertrouwlijk mijnen Vader. - Dit gesprek had mij geheel vervrolijkt; ik
nam voor deze plaats meer te bezoeken, en in de schors der treurwilg de namen te snijden van
Emilia en
Eufrozyne.
|
*Zie hier de vertaling van deze twee Klokstoksche regels.
Slaap dan mijn medgezel, in het eerste leven, verderf!
Zaad van God gezaaid, om ten dage des oogstes te rijpen;
|
|