|
|
|
| | | | | |
XXXIX. Emilia aan Eufrozyne.
Den 15 August.
17-
Hoe aakelig was mij het oogenblik, dat gij u uit mijne armen moest scheuren en mij in de
beklemmendste eenzaamheid laten! - De eenzaamheid, voorheen mij zo waard, is, na dat ik uw
gezelschap ben gewoon geworden, mij bijna ondragelijk. - Nooit vergeet ik ons hartroerend
scheiden, toen ik mijne aandoeningen verborg om de uwe te beteugelen. Het denkbeeld,
‘mogelijk omhels ik haar voor het laatst!’ benaauwde mij bij elke hervatte afscheidsgroet;
Nog zie ik u, na een stamerend vaarwel!......! telkens in mijne armen wederkeeren, terwijl eene,
halfgeboren, uit liefde ingehouden traan, mij uw gevoel teekende; - doch wij moesten scheiden; - en,
zo ik hoop, niet voor altijd. - Waarom ben ik zo mismoedig? Waarom wil mijn hart den troost niet
aannemen dat ik u ras zal wederzien? Ik ben geheel treurig en de treurige | | | | vindt overal
voedzel voor zijne hartstogt. Zorgenvry is mij een droevig oord, nu gij het verlaten hebt;
alles dat mij te voren toelachte, grimt mij nu aan; het vrolijke groen is als met floers behangen; - het
gezang der vogelen is een klaaglied voor mij; - ik hoor van verre den landman zingen, - en
naauwlijks kan ik begrijpen, hoe de mensch vrolijk wezen kan; ieder, dunkt mij, moest gevoelen dat
ik gevoel; ik kan mij niet verbeelden, dat ik hier voorheen gelukkig was; - nu ben ik het nier meer! -
waar ik ben, overal mis ik u; - in huis, denk ik, daar zat, daar stond zij; daar hield zij dit, of dat
vertrouwlijk gesprek met mij; en de opslag harer vriendschapvolle oogen stortte vreugde in mijnen
boezem. - Het verblijf in uw kamer is mij ondragelijk, daar vind ik eene nare ledigheid; - zie ik 't een
of ander, door u gebruikt, in eene beklemmende rust liggen, dan word mijn somberheid grieving. -
Ga ik wandelen, mijn betrokken gelaat, mijn mijmerende gang tekent den staat van mijn ziel af; -
alles roept mij toe, ten minste, 't is alles wat ik hoor: ‘Eufrozyne heeft u verlaten.’ In het
priëeltje, daar gij 't liefst zat, in het laantje, dat gij meest bewandelde, ga ik uwe voetstappen
drukken, en daar voel ik uw gemis het allermeest: uwe afbeelding (en duizendmaal dank ik u, lieve
Eufrozyne, voor dit ontelbaar geschenk) is gedurig in mijne hand, | | | | ik zie al die zagte trekken,
- die bevallige vrolijkheid - die levendige schrandere oogen, - die gulle mond. - Dit alles schijnt mij
nog van de duurzaamheid uwer vriendschapstrouw te verzekeren: en ik voel een stille blijdschap dat
de schoone ziel, wier beeld dit is, zo naauw aan de mijne verbonden is; - maar de gedachte: ‘ik
moet haar missen,’ pijnigt mij dubbeld. - Mijn ziel is thans voor alle aandoeningen gesloten,
behalven voor die der vriendschap; alles wat ik zie brengt er mij van zelve toe; straks trok een
verwelkte anjelier, die zeer schoon geweest was, mijn oogen tot zig; de verflenste bloem was mij
aantrekkelijker dan de fleurigst bloeiende; - ik staarde op hare droevige verandering, en straks was
mijn ziel, op, ik weet niet welke, vleugelen, bij u: ook die schoonste bloem van haare sex, dagt ik,
mijne bevallige Eufrozyne, moet worden als deze bloem, en ik weende.
O! hoe onbestendig is het edelst geluk op deze aarde! - hoe veel zaliger het genot was, zoo veel
aakeliger is het gemis, en toch behoort de afwisseling van genot en gemis tot onzen tegenwoordigen
stand; maar er komt een tijd waarin het genoegen zo duurzaam zal zijn, als ons bestaan. - Dan zal
geene vriendin om hare vriendin weenen; dan zal geen gevoelige ziel de bron van zoo veel lijden
wezen, maar aan het fijnst gevoel zal dan de grootste zaligheid ver- | | | | bonden zijn! - Het
flaauwe vooruitzigt hier van, stort een straal van vreugde in mijn hart.
Ik verlang naar eenen brief van u, even of ik u sedert twee maanden niet gezien had, en het zijn maar
eerst vierendertig uren; zeg mij, dat gij wel zijt 'thuis gekomen, en dat gij, hoe ver afwezig, altijd
denken zult aan uwe getrouwe
Emilia.
|
|
|