|
|
|
| | | | | |
XLVII. Emilia aan Eufrozyne.
Den 25 Sept.
17-
Uw vertrek naar ...... zo verre van de eenzame Emilia verwijderd, is mij een kwellende gebeurtenis.
- Doch als gij er genoegen vindt, zal ik mij te vrede stellen. O! kondt gij er de genezing van eene
ontrustende melancholie vinden, want deze verbeelde ik mij, dat uwe sombere gedachten
veroorzaakt. Ik heb waarlijk medelijden met u; - en bid u, mijn lieve Eufrozyne! geef u niet toe in
eene treurigheid, die het zoet van het leven wegrooft. Denk meer op de zalige gevolgen des doods,
dan op zijne akeligheid. Voorspel hem niet ongegrond; en vrees hem nog veel minder.
Ach kon ik iets toebrengen tot uwe blijmoedigheid! ik moet voordgaan, zegt gij, met u de gedaante
van het veld op Zorgenvry te verhalen: - ik zal. De opvolging van verscheiden- | | | | heden,
zoo in de natuur, als in de bezigheden des Landmans, is streelend voor het nieuwsgierig
oog. De landen, waarop onlangs de rijpe rog een goudzee vertoonde, worden nu weder
omgeploegd; de welvoldaane boer loopt er zingend agter, en bezaait ze met knollen, tot
wintervoedzel voor zijn vee. Op andere akkers wordt thans de boekweit, die door het liggen gerijpt
is, met volgeladen wagens ingehaald; de schuren der landlieden zijn tot de nokken gevuld; en de
behoeftige hutbewoners zoeken het overschot van de ledige velden. Straks zag ik eene oude vrouw
op een akker dwalen. Zij had eenige boekweithalmtjes verzameld, en was bijna zo verheugd over
haren kleinen schat, als de landman in zijnen geheelen oogst. Dit gezigt roerde mij, en medelijden
deed mij hare blijdschap, met een ruimer gift vergrooten. Verscheiden landlieden, vooral vrouwen,
vond ik bezig op hun erf, met het braken van den hennip, dat sierlijk gewas, dat wij op kleine
hoekjes land, bij elke hut, met zoo veel genoegen zagen groeien. Nu wierd het onnut, houtagtig
gedeelte, na dat dit in het water de nodige rotting ondergaan had, er van afgescheiden; waar na er
niet dan draaden overig bleven, die eene nuttige winterbezigheid aan de landmeisjes zullen
verschaffen, met hekelen en spinnen. Wondere, nuttige, rijke plant! die het kleed van den boer, en
de vleugelen der zwaarbevragte | | | | schepen in zig besluit! - Wie erkent hier niet dezelfde
goedheid, die den armen Indiaan zijnen nooddruftvervullenden kokosboom schenkt? - Ik trad
verder langs een eikenboschje, welks loof korts nog fleurig stond, maar dat nu aan verscheide
struiken een vale onaanzienelijke gedaante aangenomen had; het scheen mij eerst een uitwerkzel der
verwoesting van den herfst, doch nader bezien, was het enkel het werk der insekten, die het vleesig
gedeelte der bladeren afgegeten, en niet dan de adertjes overgelaten hadden. Nu geleken zij een fijn
gewerkte kant, en ik wist niet wat ik het meeste bewonderen zou, dit weefsel der bladeren zo vol
adertjes, vaatjes en buisjes, waar door al de groeisappen omloopen? of de fijne bekjes der diertjes,
die deze bladeren zo netjes konden afeten? - Hoe genoeglijk is het denkbeeld: de geheele natuur is
vol onbemerkte, voelende leventjes, maar ook vol voedzel: geen een lijdt gebrek. - Met welk een
dankbaar oog zag ik den eikenboom aan! Deze geeft door zijne bladen, stam en wortelen, aan
milioenen diertjes op één jaar het leven. - Zijne vrugt voedt het zwijn, dat den sterkgespierden boer
kracht geeft om zijnen akker te ploegen: en zijn mosch is de hut der verkleumde rupsjes in den
winter. - Het vergiftig diertje, dat zig een nestje tusschen het vlees der bladeren maakt, en de galnoot
schept, maakt hem voor | | | | ons nog nuttiger. Van hoe veel belang is dan zulk een boom in het
rijk der natuur, terwijl zijne voortreffelijkheid nog groeit, naar mate hij tot langer aanzijn bestemd is!
- En hoe weldadig is zijn lommer, dagt ik naderhand, toen ik, onder de groote bladeren van eene
welige eik, die mogelijk meer dan honderd zomers gezien heeft, eene lieve rust genoot: Hier las ik in
Gessners Abel; ik wierd geheel verplaatst in den morgenstond der wereld; en zou mogelijk
vergeten hebben op te staan, had niet een verbijsnorrende vledermuis mij herinnerd dat het avond
was.
Hoe verlangend zie ik uit naar eenen anderen brief, die mij de herstelling van uwe vrolijkheid berigt.
Als Eufrozyne gelukkig is, en dan maar alleen, is het ook hare getrouwe
Emilia.
|
|
|