|
|
|
| | | | | |
LIII. Sofia aan Emilia.
Den 4 Nov.
17-
Mejuffrouw!
Zeker hebt gij mijn treurigen brief van den 2 Nov. ontfangen; en met welke aandoeningen, voorspelt
mij mijn medelijdend hart, dat in eene pas beginnende vriendschap met de waardigste persoon onzer
sexe, het edelst genoegen vond. Zedert is haar toestand niet verbeterd: wat zeg ik? - Waarom moet
ik verbloemen? - zij is wel verbeterd, maar - niet voor ons. - Ik gevoel allerlevendigst uw lijden, en
wat ik zelve mis. - Ja, mijn waarde! uw boezemvriendin, mijne Eufrozyne, is niet meer; - niet meer
op eene wereld, die haar | | | | niet waardig was. Juichend verliet zij die, en wij, wij oogen haar
weenend na. - Kort na het vertrek van mijn vorigen brief, wierd de godvrugtige lijderes erger; de
zwakke hoop op herstel begaf ons geheel; - hare tederlievende moeder, was met mij altijd aan haar
leerrijk ziekbed tegenwoordig. - Dikwils vertroostte zij de waardige vrouw, met het geluk dat zij
tegenijlde; met de zorg van haren Hemelschen Vader, voor hare toenemende grijsheid, met de
kortheid van haren weg in dit tranendal. - Zij bad haar, mij, als eene andere Eufrozyne, tot de staf
harer jaren aan te nemen, en verzogt haar als zij weder naar ..... keerde, de tederste afscheidsgroete
aan hare Elize over te brengen. Zij had geene de minste vrees voor den dood, maar zag hem vrolijk
te gemoet: hare godvrugtige werkzaamheden vertoonden zig telkens in korte afgebroken woorden:
dan riep zij luid:‘Dierbare Jezus! wat heeft uw kruis ons verworven! Ach waarom leefde ik niet
meer tot uw eer? maar ik weet gij vergeeft mij alle mijne zonden. Dan eens wie zou zulk eenen
leidsman de hand niet durven toereiken? Op eenen anderen tijd: Ach wat zal mijne Elize, wat vooral
mijne Emilia troosten?’ Terwijl zij hare betraande oogen afwischte, ‘och waren ze bij mij! -
dan weer eens: ‘leer van mij, lieve Sofia! (en hoe grieft mij nog de naklank van dat lieve Sofia!)
| | | | ‘leer van mij jong en wel sterven. Geloof toch dat de wereld geene vreugde heeft, die
ons in het doodsuur vertroosten kan.’
Dikwils vroeg zij: Is er nog geen brief van Emilia! Toen ik haar eindelijk uwen te rug gehouden,
laatsten brief voorlas, wierd zij zeer geroerd. Edele vriendin! riep zij uit; en bij uwe aftekening van de
bestendigheid der vriendschap, zeide zij: onze ondervinding zal nu ras deze waarheid bevestigen.
Och! hoe zult gij dan te moede zijn, mijne Emilia? - Hier weende zij, drukte mijne hand en voegde er
bij; ‘O lieve Sofia, vorm uwe jeugdige ziel naar het beeld van mijne vriendin, en zoek hare
vriendschap; - de mijne kan haar op het levenspad geen troost meer geven, ik sterf. Dit haar silhouet
droeg ik op mijn hart; mijn gevoelloos stof kan daar uit geen vreugde meer scheppen; neem het, als
mijn laatste adem voorbij is, er af, en laat deze gedachtenis u waardig zijn.’ - (dit heb ik, toen het
nog vogtig was, van Eufrozynes doodzweet, op mijn boezem gehangen, en zal er u beide, zoo lang
ik leef, aan gedenken.)
Na het lezen van uwen brief, zweeg zij een langen tijd stil; het scheen of zij sliep; ontwakende vroeg
zij: Is Emilia nog niet hier? op ons neen, begeerde zij pen en inkt om u te schrijven: ons ontraden,
mijne aanbieding om het | | | | voor haar te doen, alles was vrugteloos. - ‘Ik zelf moet haar
schrijven, eer ik gerust sterven kan, was haar antwoord.’ Zij deed dit bij herhaalde
tusschenpoozen. Kort na dat zij geëindigd had, was zij zeer afgemat; viel agter over, sluimerde, en
riep ons, toen zij weer ontwaakte, allen bij zich, - en nam een hartbrekend afscheid. - Tot mij zeide
zij: zeg mijne Emilia: dat ik haar stervend bemind heb, en dat mijn laatste snik haar nog zegent. Zij
wees mij in een lade een klein doosje aan, en voegde er bij: geef haar dit tot eene gedachtenis en....
mijnen brief - dit laatste zeide zij, met eene verzwakte stem. - Nog eens omhelsde zij hare moeder
sprakeloos, en ook mij, terwijl het klamme doodzweet haar lief gelaat overdekte; zig nogmaal
herhalende, riep zij, gij zendt mij uwen Engel, ô mijn Zaligmaker! Ik zie hem staan! Hij trekt mijn
harte - en zal mijn geest in uwe armen voeren.
Hier na sloot zij hare oogen; hare koude hand greep die van hare moeder aan; haar gelaat kreeg
angstige doodstrekken. - Zij haalde eenen diepen adem, en dit was de laatste! - Hoe veel
medelijden gevoel ik, met deze kinderlooze moeder! Zij is in de ziel bedroefd, zij spreekt weinig,
maar staat gestadig bij het geliefde lijk, bitter te schreien. Ons geheele gezin is bedroefd; want voor
ieder was zij | | | | beminnelijk. En ik, geheel ontroostbaar, schrei rusteloos om een verlies dat
onherstelbaar is. - Waarschijnelijk was zij ook mijne vriendin geworden, zij beminde mij, veel meer
dan ik verdiende. Nu leerde ik haar slegts kennen, om haar te beweenen; ja dit zal ik doen, zo lang
ik leef. - Zij heeft verzogt in uw graf op Zorgenvrij te rusten; haar moeder wil dit verzoek
stipt opvolgen. - U acht ik gelukkig, die hare heilige asch in uwen eigen grond, zoo nabij u, bewaren
zult.
Men droeg zoo even hare zwarte lijkkist in huis: nu ligt zij in hare laatste rustplaats. - ô hoe rustig
schijnt zij te slapen; - de benaauwde doodstrekken zijn geweken, de blijmoedige Godsvrugt tekent
zig op haar ontzield overblijfzel. - Maar hoe koud, hoe hard zijn nu hare noch zagtblozende wangen!
- Voorzeker, de schoonste bloem is in hare eerste jeugd verwelkt! Zoo zij nog bij ons blijft, zal ik
dikwils haar lijk bezoeken, daar bij schreien, en denken op het oogenblik, dat mij de beste der
vrouwen gelijk zal maaken. - Het akelig zwart van hare doodkist behaagt mij. Alle de droevige
rouwtekenen zijn sombere wellust voor eene rouwgevoelende ziel.
De brief, met een veege hand geschreven, gaat met het doosje hier nevens; hoe dierbaar zal u die
gedachtenis wezen! Eerlang krijgt gij ook haar beminnelijk overblijfzel. | | | | Vaarwel,
Mejuffrouw. Ontvang door reden en Godsdienst meer troost dan uwe ongelukkige
Sofia.
|
|
|