terug  begin  verder
[p. *3r]origineel

[Woord vooraf]

Het Boek, mijne geëerde Landgenooten! dat ik, door uw welgevallen in de vruchten van mijne stille uuren aangemoedigd, U thans aanbiede, is van eenen geheel anderen aart, dan de voorigen; maar zou het U daarom minder bevallen? dit zou mij spijten, en zoo wel mijne hoop als mijne poging verijdelen; doch ik moet dit afwachten.

 

Dit alleen moet ik evenwel tot voorbericht zeggen: welligt zullen sommigen, die een paar stukjens in Voor Eenzaamen, lazen, of, bij eene of andere gelegenheid hoorden dat ik eenen uitlandigen Broeder heb, ook dit werk als een familie-geval aanzien; dit had ik liever niet, dewijl het geene waarheid is, zoo als elk, die mijne omstandig-

[p. *3v]origineel

heden van nabij kent, bij de minste vergelijking van deeze met mijn tafreel aanstonds zal in 't oog vallen; neen, zoo min als ik in de Emilia van het Land mij zelve bedoelde, (ik zou dan waarlijk, eenige trekken uit Euphrozijne's brieven in aanmerking genomen, ellendig met ijdelen waan moeten bezocht zijn,) maar alleen een meisjen tekende, zoo als ik weezen wilde, en dat in gevoelens en denkbeelden met mij overeenstemde; zoo min kan mijn broeder voor Reinhart doorgaan; ofschoon ik in beide stukken eenige gevallen, die ons zelven ontmoet zijn, aan die verdichte wezens doe ervaaren - en welk schrijver doet dit niet?

 

Maar welk een wezen is Reinhart dan? is het een Historie of een Roman? het eerste zeker niet, dan in zoo verre als het eenige waare natuurlijke tafereelen afmaalt die willekeurig geplaatst zijn - en een Roman, daar voor durf ik het U ook niet leveren, daar het de voornaame vereischten van een Roman mist; en, in plaats van eene vindingrijke aaneenschakeling van raadselachtige gebeurtenissen, die in eene wonderlijke ontknooping eindigen, niet dan een eenvoudig, natuurlijk afloopend geval vertoont, dat niets raars heeft, dan misschien den smaak van den persoon die hier voorkomt.

 

Beschouwt het dan even gelijk het Land, als

[p. *4r]origineel

een schepsel mijner verbeeldinge, die zig meestal door de waarheid liet leiden; ziet de persoonen welke hier voorkomen als verdicht aan, schoon ze noch zoo groot, noch engelachtig zijn, dat zij alleen in 't rijk der mogelijkheid bestaan; maar wel zeker, hier en daar, hoewel schaars, onder edele menschen hunne origineelen hebben zullen.

 

Noemt het, zoo gij wilt, het onaanmerkelijk leven van eenen braaven jongeling, die, meer door zijne stille deugd, door zijn edelwerkend gevoel, in de dagelijksche omstandigheden des levens, dan door het vreemde zijner lotgevallen interesseert.

 

En wanneer dan deeze goede jongeling, door de eenvoudige tafereelen van zijn hart, en van de Natuur in een ander werelddeel, sommigen mijner lezeren eene aangenaame uitspanning na moejelijke bezigheden verschaft; wanneer hij van een gescheidene boezemvrienden, eenige troostende gedachten, en aan zijne geheele sexe een voorbeeld van jongelingsdeugd en waare grootmoedige gevoeligheid geeft; wanneer hij daarbij alle zijne lezers een spreekend bewijs oplevert, dat alleen de Godsdienst des Euangeliums, aan 't geluk het waare zoet; in de rampen, waarmede het pad des menschlijken levens, bezaaid is, den eenigen genoegzaamen troost, en in de meestdreigende gevaaren de zachtste rust kan instorten, behoef ik

[p. *4v]origineel

dan wel te vreezen, dat dit werk de meestbevooroordeelde mijner godsdienstige Lezers misvallen zal, om dat het 'er zoo romanächtig uitziet? - neen; het ruime denkbeeld dat ik heb van gezond menschen-verstand verdrijft deeze zwarigheid geheel bij mij: en ook bij deeze, zoo wel als bij mijne andere Lezers, hoop ik op die stille goedkeuring, die de beste belooning, en de sterkste aanmoediging voor mij zijn zal.

 

elisabeth maria post.

 

Arnhem,
den Julij
1791.

terug  begin  verder