Of ik ooit aan het scheepsleven gewennen zal, weet ik niet; men woelt, men vloekt, men raast; het geruis van een golvende zee, mengt zig hier onder, en dit alles te zamen, maakt zulk een benaauwend rumoer, dat ik menigmaal na de zalige stilte van uw eenzaam eikenboschjen angstig smacht. Vergeefsch verlangen! mogt ik het elken dag, elke week maar één oogenblik genieten! o! dit oogenblik zou mij zeer dierbaar weezen, en weêr dagen vol gewoels vergoeden - dan, waarom mij te kwellen? - mogelijk legt eindelijk de gewoonheid, haare heelende hand aan mijn hart ten koste; en zegt men niet dat zij het is, die allengskens het verdrietige aan de grootste lasten ontneemt? de zee zal ook niet altijd mijn verblijf zijn, en, de hemel zij dank! ik ben ontheven van die lastige, akelige ziekte, die zo dikwiljs den zeevaarenden doodelyke benaauwdheid doet lijden, en onvatbaar maakt voor de eenigste gevoelens, die het scheepsleven hun overlaat; dit is ten minsten eene weldaad, die ik met een dankbaar hart kan opmerken - als nu slechts de benaauwde woelingen der hartstogten in mijnen boezem allengs kalmer
mogten worden, dan zou ik mogelijk nog eens met vermaak kunnen reizen, den aanblik der grootsche, ontzettende Natuur kunnen bewonderen, Gods almagt op de groote wateren, en in de diepte met een leergierig en volgzaam hart kunnen opmerken; en in dit geval zou het mij op de woeste golven, aan geene spooren tot stille deugd en zalig vertrouwen ontbreeken.
Vergenoegdheid in ons lot, is tog waarlijk zoo gelukkig, als betamelijk, voor Christenen die gelooven dat geen blind toeval, maar eene wijze goedheid, ja een vader dit, bestuurt. Ach! waarom moet de beminnelijkste, de beste pligt bij de kleinste hinderpaalen, die wij ontmoeten, de moejelijkste voor ons worden? - God zal mij, hoop ik, dit alles duidelijker leeren - ik, van mijne zijde, zal alle die denkbeelden in mij pogen levendig te houden, die bronnen van zielsrust en te vredenheid voor mijn hart kunnen worden; en daar, waar ik mijne reden, mijn geloof voel bezwijken, wil ik mijnen toevlugt neemen tot een' sterker' arm, die mij leeren kan, hem te kennen in alle mijne wegen, en die mijne paden kan recht maaken - is dit niet het veiligst mijn vriend?