Wij zijn thans in 't Canaal, dat Engeland van Vrankrijk scheidt. Zoo straks lieten wij Calais ter linkerhand; ter rechterzijde vertoont zig thans het schoongelegen Douvres aan mijne oogen, en met verwondering denk ik dat twee Rijken, die de Natuur zoo naauw aan elkander grenzen deed, genoegzaam onder dezelfde hemelstreek plaatste, slegts door de ruimte van eenige mijlen van elkander scheidde, terwijl zij aan beiden, schoon op een verschillende wijs, de zee tot de bron van hunnen rijkdom, en de band van hunne vereeniging gaf, des niet te min door een ingewortelden haat, elkanders voorrechten altoos benijden, elkanders magt poogen te betoomen, en hunnen wederzijdschen voorspoed tegenwerken. Nog meer bevreemt het mij, dat twee zoo nabuurige volken, zulk een verbazend onderscheid van karakter, denkwijs, en zeeden vertoonen: de diepdenkende, de ernstige, de trotsche Engelschman, en de altijd wél te vredene, de verpligtende, maar ligtzinnige Franschman, slechts door een kleine streek waters van elkanderen gescheiden, welk een wonderlijk contrast! niet minder treffend zeker dan die contrasten, welke de Natuur somwijl in haar Rijk vertoont; die verscheidenheid
van menschlijke wezens is tog ook schoon, op eene wereld, daar alles, in alle rangen en soorten van schepselen, door menigvuldigheid en eenvoudigheid, door verschil en harmonie behaagt. Jammer is het dat hier, en elders, over de geheele wereld, de menschlijke verkeerdheid het schoone, dat Natuur, of haar Schepper, alom bedoelde, verstoort, en door ondraagelijke dissonanten het juichende der algemeene simphoniën verstomt.
Schoon ik in de Noordzee nog maar zeer kort van 't gezicht van land beroofd ware, is mij tog de vaste grond, waar menschen woonen al weder hartlijk welkom. Hoe lacht vooral de bergachtige kust van Douvres, welke wij digt langs zeilen, mij aan! De lucht is helder; geen nevel verhindert mij op dit aangenaam verschiet te staaren, en de teloscoop brengt mij deszelfs bevallige gedaante, vrij onderscheiden voor mijn oog. Hoe vrolijk ligt die kleine stad tusschen twee reien van bergen, in een vruchtbaar dal verscholen; van zijne ruischende korenakkers, digte boschjens, en vee-rijke weiden omringd; terwijl de wollige kudden aan verstrooide troepen op de grazige heuvelen, langs welke kronkelende beekjens afvloeien, bij den voet hunner herderen weiden. O! hoe schoon liggen hier en ginds de laage hutten der landlieden, in den lommer van een breeden boom, som-
mige misschien langs een klaaterenden waterval, in een bevallige onorde verstrooid! Gelukkige jongeling! die in deezen vreedzaamen oord, in eene kommerlooze armoede, en onvernederende laagheid, onvervolgd van 't lot, arbeidzaame dagen slijt! - die de kudde van uwe moeder hier weiden; of haaren akker ploegen moogt, en, om den steun van haare grijsheid te worden, den grond niet behoeft te verlaaten, waarop gij geboren wierd, noch u los te scheuren uit de armen van den vriend uwer jongheid; die in gezellige trouw met hem, den grond met uw zweet besproeit, en aan uwen haart, of onder eenen boom naast hem nederzit, en rust geniet. Gelukkige jongeling! al is uw arbeid zwoegend, uw verblijf eene arme hut, en uw disch sobere moeskruiden, hoe benijde ik uw lot! O Karel! bij deeze gedachten zou ik bijna weder instorten in mijne sombere luim, en dit moet ik niet.
Liever staar ik op een voorwerp dat andere denkbeelden, meer voor mijne omstandigheden berekend, in mij opwekt. 't Is het over-oud kasteel van Douvres, dat ginds op een steilen rotsigen berghoek, zoo trotsch, zoo statig, en als met de majesteit der eeuwen, die over zijne torens heenrolden, overschaduwd, voor mij ligt; dat op zijne graauwe bemoste muuren de geschiedenissen der voorwereld als leezen
doet, en mij met een heiligen eerbied bezielt - Ik weet zelf de juiste oorzaak niet, waarom zulk een oud gevaarte mijn geheele ziel altoos met ernst vervult: hier, bij de duurzaamheid van zijn werk, gevoel ik de broosheid van den sterveling; en alle zijne angstige bekommeringen, al zijn slovende arbeid, zonder hoogere bedoeling, wordt geheel nietig in mijn oog. Eeuwen, zwanger van noodlottige gebeurtenissen, zwanger van verwoesting en ellenden; eeuwen die vergankelijkheid en dood, die verandering en verderf baarden, gingen voorbij, en dit werk van menschenhanden staat nog. Zijn vorstlijke stichter is met alle zijne nazaten, met het gantsche volk waarover hij heerschte, reeds lange tot asch verteerd, misschien wel verstrooid in de elementen, en bijna vergeeten of ongekend, van het geslacht dat zijn werk bewondert. O hoe kort is eens menschen leven op aarde! slechts een stofjen op 't groote vak des tijds; de wind stuift het weg, en 't is niets meer! - en wat is dit geheele tijdvak, wat alle de eeuwen der wereldduuring bij de eeuwigheid, voor welke menschen bestemd zijn? O Karel! hoe onaanmerkelijk wordt bij deeze gedachte mijn ongeluk! - hoe eng de grenzen van mijn lijden! - hoe ruim de uitzichten van mijne hoop! en hoe mildlijk vloeien de bronnen van mijnen troost! ook den gelukkigsten mensch benijde ik dan niet meer.