terug  begin  verder
[p. 37]origineel

VII.

Een aanhoudende voordenwind bragt ons spoedig door het Canaal in de Spaansche Zee, en wij zwerven thans op eenen ontzaglijken voor ons oeverloozen waterplas, ver van de moederlijke aarde, ver van een herbergzaam eiland, op den grenzenloozen oceaan. Geen enkelde boom, zelfs geen groen takjen is thans zichtbaar voor mijn oog. Doodsche eenvormigheid is rondom mij verspreid, doch zij is treffend en grootsch. Doordrongen van een verheven gevoel, van een diep ontzach, als stonde ik voor den troon der Godheid, staar ik de zee aan. Eene rilling vliegt door alle mijne leden, en tog ben ik wél te vreden, ik verblijde mij in mijn aanzijn, om dat ik die grootheid gevoelen, en bij dezelve in mijn niet verzinken; om dat ik bij deeze ontzaglijke grootheid de mijne afmeeten kan, en grooter word dan de geheele redenlooze schepping: deeze gedachte: ‘dit geducht element, deeze groote Oceaan en - ik nietig broos schepseltjen, wien één golfslag dooden kan, zijn beide schepselen van dezelfde Almagt, die tot de zee zeide: “Word,” en deeze golven tuimelden in hunne aangeweezene bedding, al

[p. 38]origineel

bruischend door elkander; die den mensch beval: “Bewonder mijn werk,” - en hij stond getroffen daar.’ Deeze gedachte doet mij iets gevoelen dat ik niet kan uitdrukken, iets dat mijn hart doet zwellen, en Hem aanbidden, die thans niet minder over deeze golvende zee zweeft, dan Hij bij de wording der dingen over den woesten chaos zweefde. Gevoelens van oneindigheid doorstroomen mij bij deeze grenzenlooze watervlakte; en tog zie ik mijn bestaan nog grooter, nog oneindiger dan dit tooneel; daar zelfs de eeuwigheid geene grenzen aan hetzelve zet. Eén golfslag, ja, kan mij doen verdwijnen van deeze wereld, maar het verëenigd geweld van duizend golven, kan mij niet vernietigen. Neen ik duur dan voord, in een leven dat niet, gelijk dit aardsche leven, naar eene wisselvallige zee zweemt; maar dat zoo bestendig zijn zal, als de sterren, ja als de hemel zelf: en wanneer aarde en zee misschien eens tot haare eerste woestheid wederkeeren, om in vernieuwde jeugd en schoonheid te herrijzen, dan ben ik reeds eeuwen lang een bewooner van dat zalig Rijk geweest, welks heil en duurzaamheid even onveranderlijk zijn.

 

Ik schrijf om dat ik poogen wil u mijne gewaarwording medetedeelen, doch ik kan niet; het is wartaal; 't is flaauw, al wat uit mijne

[p. 39]origineel

pen vloeit; het zegt u niets van 't geen ik gevoel: liever wil ik zwijgen, bewonderen en - aanbidden.

terug  begin  verder