terug  begin  verder

IX.

Hoe zeer ik de waarde der menschheid gevoele, en den engel boven het dier verëere, evenwel is 'er onder alle mijne reisgenooten, geen schepsel, dat mij zoo veel genoegen verschaft, waarop ik die soort van betrekking gevoel, dan - kunt gij het raaden? Karel! - dan mijn goede Cheri. Bevreemdt u dit? geef dan ten minste deeze grilligheid geen verkeerden naam, en zet niet op de rekening van kleingeestige eigenliefde, iets, dat eigenlijk op die der dankbaarheid, en der tederhartigheid t'huis hoort. Hoe veele redenen zijn 'er, welken mij dien hond zeer lief maaken! - Gij weet immers nog hoe hij de mijne werd? Dit goede beest, herïnnert mij altijd aan een der liefste avonden van mijn leven, toen Natuur, godsdienst, en vriendschap, zamenwerkten, om ons op den schoonen heuvel van Kommerrust,

[p. 45]origineel

een genoegen te doen smaaken, dat slechts vlugtig, maar zeer schaars, op deeze wereld verschijnt; en de vreugde der engelen, aan menschen, in 't verschiet, doet kennen. Op het einde van dien avond, werd deeze hond de mijne; weet gij 't niet meer, Karel? bij het zachte maanlicht wandelden, of liever stonden wij, op de eenzaame heuvelige heivlakte, die uw Landgoed van achteren begrenst; wij staarden op den oneindigen starrenhemel, op het ruime heirveld, en op alle de schaduwachtige streeken, welke de nu en dan bewolkte maan, op hetzelve vormde, en op de zwijgende gedaante die de eenzaame boomen, en de in 't wilde opgeschootene struiken, der heide, door den zachten glans van dit statige nachtlicht bescheenen, vertoonden. Geheel met deeze voorwerpen ingenomen, peinsden wij, en zweegen. Op ééns hooren wij een angstig gesnuif - dat ons nadert; en het was de hijgende adem van Cheri, die van zijnen meester, welken hij, met de hem eigene trouw, zeker uuren lang vruchtloos zal gezocht hebben, was afgedoold; die nu, door behoefte en matheid, gedrongen werd, eenen anderen beschermer, waaraan zijn trouw zig hechten, en die zijne behoeften vervullen zou, te zoeken; hij trof dien in mij aan; vriendelijk nam ik hem tot mij, en zedert was hij mijn dankbaare gunsteling: ook mijn lieve moeder had het goede beest lief; haare

[p. 46]origineel

zachte handen hebben hem zoo dikwijls gestreeld en voedsel toegereikt - dit geeft hem voor mij eene nieuwe waarde. In weêrwil nogthans van mijne gehechtheid aan den trouwen Cheri, had ik reeds besloten, hem tot gezelschap bij mijne moeder achtertelaaten, om haar niet te berooven van iets, 't welk ik dacht dat haar mogelijk de denkbeelden van de afwezigheid van haaren Reinhart verzwakken zou. Doch Cheri wilde niet dat ik zonder hem zoude reizen. Den laatsten avond, staarden zijne droevige oogen mij geduurig aan, zijne houding was kwijnend, zijn staart kwispelde moedeloos; 't was of hij mij vroeg: ‘Zult gij uwen ouden Cheri verlaaten?’ met een meêdogend hart gaf ik het arme schepsel ongemeende norsche bejegeningen, om het van mij te verwijderen, en vertrok zonder hem; doch het getrouwe dier volgde mij op het spoor, en, veele uuren van mijne woning verwijderd, vond ik mijnen Cheri, in de houding van een boetedoenden schuldigen aan mijne voeten weder. - Ik sprak hem vriendlijk aan, vergaf hem zijn misdadige trouw, en nam hem tot mijn' reisgenoot aan; en denk van achteren, dat het schrandere beest beter gekozen heeft, dan ik met het beste oogmerk had gedaan. Het is beter dat hij mijne eenzaamheid verzachte, dan dat hij, in de door mij verlaatene wooning, achter gebleven, al snuffelende het voetpad van

[p. 47]origineel

zijnen meester opgespoord, en huilende zijn weggaan beklaagd, of roerloos op zijne plaats geketend, zijne ontrouw bezucht had; en dan door zijne kwijnende houding, het denkbeeld van verlaating en weggaan, in mijne lieve, treurige moeder gevoed had.

 

En, hoe veel meer is dit goede dier mij nu waardig, na dat hij mij zulk een blijk van trouw gegeeven heeft! reeds vijf jaaren was hij mijn gezelschap; in de bosschen joeg hij het wild voor mij op - ik zag het vrolijk huppelen, en schade deed hij het niet: op de vlakke velden snelde hij als een pijl voor mij heenen, en den toon van geblaf ademde geluk: lag ik ergens in het gras, hij plaatste zig naast mij, en hield de wacht over mij, en nu waagt hij zig met mij in honderd gevaaren, en rekent zig veilig bij mij; wil met mij leven en vergaan: en zou ik nu zijne waarde niet gevoelen? waarlijk zijn redenloos gezelschap is mij lief: met zijne oogen spreekt hij, en ik versta hem, en mijnen wil verstaat hij uit mijne wenken; mijne onvergenoegde luimen berooven hem van vreugde; mijne goede verrukken hem: met één woord, als ik moede ben van leezen, denken, tekenen, of andere bezigheden, dan speel ik met Cheri, en deeze kleine verandering veraangenaamt mijne eenvormige levenswijs.

[p. 48]origineel

Lieve Karel! stel u geheel in de plaats van den eenzaamen behoeftigen reiziger, en vergeef dan uwen Reinhart, dat hij u zoo lang bezig houdt over eenen hond.

terug  begin  verder