terug  begin  verder

X.

Hoe lang kan ik dikwijls half gedachtenloos en mijmerend staaren op het onmeetelijk waterveld waarop ik dobber! in alle de hemelstreeken zoekt mijn tuurend oog naar land; en den stip aan den horizon, die de misleide verbeelding somwijlen voor land aanstaart, veroorzaakt een aangenaam bedrog. Nu zie ik volstrekt niets dan water; de hemel, die zig daarover uitbreidt, schijnt rondom op hetzelve te rusten, en vertoont zig aan mijn oog als een ondoorboorelijke scheidsmuur, tusschen mijne broederen die het vaste land bewoonen, en - mij. Op deeze groote wijde vlakte die mijn oog niet kan afzien, doet zig thans geene ééne drijvende menschenwooning aan mijne zoekende oogen op. Onmaatschaplijk verblijf! hoe ledig zijt gij voor mijn hart! hoe welkom zou mij nu een ander schip zijn, dat ook zijn vaderlandsche kust verlaaten had, om naar een vreemd gewest te stevenen; dat misschien naar hetzelfde werelddeel bestemd was, als het

[p. 49]origineel

onze: geen Hollandsche vlag behoefde van zijnen mast te wapperen, om mij eene broederlijke genegenheid door deszelfs bewooners te doen gevoelen; het denkbeeld van medemensch, van lotgenoot, heeft al veel zoets in mijnen stand: maar zeker, nog sterker zou dat van vaderlander mij het hart doen kloppen, en honderden van aangenaame denkbeelden met zig brengen. De trek tot gezelligheid is tog ieder mensch, ook mij, ingeschapen; ook mij, die altijd de eenzaamheid zoek, en haar dagen lang met het zachtst genoegen genieten kon: doch hoe duidelijk bemerk ik dat de eenzaamheid, zal zij op den duur behaagen, en ons geeven wat wij bij haar zoeken, door geen' dwang, geene eenzelvigheid of - benevelende droefgeestigheid, moet beroofd worden van die vrolijkheid, welke de waare Wijze zeker in haar vinden kan.

 

In mijne meest gezellige luimen, worden mij mijne scheepsgenooten dierbaarer: Capitein en Stuurman behandel ik minder koel, en elken matroos bejegen ik vriendelijk: in zijn nors of ruw zeemans gelaat, lees ik dan ook de verbindende trekken van broederlijkheid; en het gevoel der menschheid spreekt ook in zijne oogen.

 

Het ongeluk, of 't gemis van dierbaare voorwerpen, doet de natuurlijke zachtaartigheid van

[p. 50]origineel

onze ziel tog toeneemen; en ons meer in het lot van anderen deelen: hoe duidelijk leert mij dit de gewaarwording met welke ik den ruwen, meestäl stompen bootsgezel aanzie: wanneer ik zijn lot, zijne gesteldheid als mensch, en vooral dan, wanneer ik die als een Christen nadenk, drijft 'er dikwijls, eer ik het zelf weet, een medelijdende traan in mijne oogen, en het gevoel van mijn eigen ongeluk verdwijnt, bij dat van zijne bestemming: veroordeeld om voor jaaren achter den anderen, of ten minste om telkens bij vernieuwing, zijn vaderlandsche kust te verlaaten, moet hij als buiten betrekking op zijne naaste vrienden, en op al wat hem lief is, omzwerven; zijne echtgenoote en zijne kinderen achterlaaten; altijd aan de ongenade van zee en onweêren, van duizende gevaaren en angsten, aan alle de lasten en behoeften van het scheepsleven, blootstaan, zonder in haar, op wie hij de naauwste betrekking heeft, een lotgenoote te vinden, die zijne onheilen verzacht - terwijl de ruwheid van zijne levenswijs, van 't element waarop hij verkeert, geheel op zijne gesteldheid invloeit, en hem allengs van de bron der edelste genoegens deezes levens, van een gevoelig hart, berooft; terwijl zij in zijne ziel, even als op zijn gelaat, hardvochtige woestheid doet heerschen.

 

Denk ik daarbij hoe veelen deezer arme

[p. 51]origineel

schepsels door misleiding, door overijling, door armoede, bedwelming, of een ongelukkig toeval, en tegen hunnen zin, werden wat zij nu zijn; hoe veelen 'er onder deezen zijn, wier hart edel genoeg is om grooter rol op het tooneel der wereld te speelen, hoe groeit dan mijn medelijden nog aan!

 

En aan den anderen kant beschouwd, hoe gunstig is die bestuuring des Alregeerders, die de onderscheidene neigingen den stervelingen instort, dat 'er ook zulke menschen zijn, wier hart niet te klein, noch te week is, om de gevaaren van dit woest element te tarten, en zig aan alle deszelfs angsten, en behoeftigheden te onderwerpen; hoe onbegrijpelijk veel voordeelen en genoegens van dit leven, hoe veele kundigheden van onzen geest zouden voor ons verlooren zijn, waren 'er zederd vroege eeuwen niet reeds zulke geniën onder de menschen verscheenen! en is 'er - dit is ook waar, is 'er één verblijf geschikt om edele, godsdienstige, grootmoedige menschen te vormen, het is de woeste zee.

 

Hoe vorschend neem ik in mijne ledige oogenblikken dikwijls het gelaat van den matroos, dien ik hier en daar, rustend of werkzaam ontmoet, waar; en zoek in zijne trekken naar edele menschheid, naar stille deugd of waaren godsdienst; en vind ik hier en daar

[p. 52]origineel

een gelaat dat mij aantrekt, dat mij zegt: ‘Hier schuilt verborgene grootheid;’ o hoe broederlijk klopt mijn hart hem tegen; hoe gaarne wilde ik, ware dit binnen mijn bereik, die edele beginsels aankweeken, en dien mensch laaten worden, dat hij kan worden!

 

Och Karel! konde ik onder alle mijne scheepsgenooten, maar ééne ziel vinden die de taal van mijne ziel verstond, die gevoelde wat ik meende, wanneer ik zeide: ‘Ik ben gescheiden van eenen boezemvriend,’ o hoe vast zou ik mij aan hem hechten! hoe vrolijk zou ik voordreizen! maar deezen vind ik niet.

terug  begin  verder