terug  begin  verder
[p. 84]origineel

XVI.

Een stevige oosten-wind heeft ons tot hier toe gebragt, die nu door de passaatwinden, welke altijd tusschen de keerkringen waaien, vervangen wordt; zij voeren ons schip als van zelf, zonder de leiding des stuurmans, naar de kust van America toe, en wij snellen met volle zeilen daarheen.

 

Hoe zeer komen deeze passaatwinden de reizigers naar andere werelddeelen te stade! de wijsgeer noeme dit eene vastgestelde natuurwet, een noodzaakelijk gevolg, van geregelde oorzaaken; dit zij zoo; in die vastgestelde natuurwet, in dit noodzaakelijk gevolg, moet de Christen tog eene wijze Voorzienigheid aanbidden, die de Natuur zoo regelt, dat zij de behoeften van een gedeelte der schepselen, voor welke zij gevormd werd, te hulpe komt, en deeze gezegende winden, welke duizende rijkbevrachte kielen hier door het schuimende nat heendrijven, die ook ons schip op hunne vleugelen medevoeren, ruischen mij in elk wapperend zeil, in elke ruischende golf toe: ‘God is de goedheid.’

 

De dwaaze fabelkunde mag Eool den God

[p. 85]origineel

der winden noemen, en hem als op een rots woonende, in wier holen en klooven hij de woedende stormen en de zachte zuide-windjens opsluit, met welke hij, naar zijne goede of toornige luimen, zegen of vloek, voorspoed of verwoesting, op de wereld zendt, afbeelden: een veel grootscher gevoel roert mij het hart, wanneer ik den God van 't heeläl, Hem die ver boven den kloot der aarde, in de onëindigheid woont, ook in de beweeging van lucht- en damp-kring, ook in de holen der afgronden werkzaam beschouw; wanneer ik Hem, als de eeuwige Almagt, die wenkt, en 't bestaat - die spreekt, en dat hij werkte, zinkt weder weg in zijn niet; die ginds op de aarde, in de brandende woestijnen, eenen verzengenden wind welke den dood op zijne vleugelen aanvoert, waajen doet; die hier een' noodstorm op de zee gebiedt, de brullende golven doet kooken, en menschenlevens vergruist als stof; en weêr elders zachte koeltjens door den dampkring doet suischen, die in het geboomte der aarde, met de jonge blaadjens speelen, en, ook hier, op dit geboomteloos gewest - de rust in het hart des reizigers doet zweeven, en het zwervend schip zachtjens naar de gewenschte haven voeren; o Karel!, wanneer ik dien God op zee rondöm mij, tegenwoordig geloof, en in alle de verwisselende verschijnsels, welke mij hier omringen, werkzaam zie; wanneer

[p. 86]origineel

ik mij eenzaam, van geen gevoelig mensch omgeeven vind, dan is zijne bescherming mijn eenig geluk; dan wordt mij alles zoo ligt, en ik schuil onder zijne beveiligende vleugelen.

terug  begin  verder