Volmaakt nevelloos zag ik, zoo even, de lieve zon in haare volle glorie verrijzen; haar luister was majestueus; zij scheen gloejend vuur, dat uit de golven opvlamde; en in elke schuddende baar van deezen spiegelenden plas, zig nog eenmaal met gebroken straalen afbeeldde: dit is waarlijk een luistervol tooneel! het trof mij reeds meermaal, maar nimmer meer dan nu, daar dit schoone licht, geheel onbedwelmd, zonder wolken verrees; en de zee aan mijnen zichtëinder in golvend vuur herschiep.
In den trillenden gloed van dit bekoorlijk licht, dat zig in zoo veele glanzende golven herhaalde - dat de vreugd der wereld, zoo wel op de aarde als op den oceaan is - zag ik slechts het flaauwe afbeeldzel van zijnen onëindigen maaker - zag ik slechts een golfjen, van dien stroom van licht en vreugde, die altijd vloeit; die overal zaligheid en leven worden doet, en alles werd mij nog schooner.
Geheel anders gevoelde ik evenwel, wanneer ik, op den beplanten top van eenen vaderlandschen heuvel, de zon uit purpere kimmen zag oprijzen; wanneer ik vóór haare verschijning de vee-rijke dalen, en de golvende koren-landen, door de schemerende glanzen van den groejenden dageraad bescheenen, en, bij haare aankomst, den wellust, de vreugde en het leven, op de juichende velden stroomen zag; wanneer de daauwdropjens, nog aan de spichtige korenhalmen hangende, flonkerden, door haare straalen; en het wormtjen, op vochtige struiken, haare koestering tegenkroop; wanneer de vogelen, in den verkwikkenden lommer, dartelend, haar met juichende morgenliederen begroetten; daar de laage herderswoning, en de bemoste landmands-hutte, half in de schaduw weggedooken, een allerschoonst verschiet opleverden: met één woord, daar zo veele onderscheidene voorwerpen, de schoonheid van den jongen dag bevorderden: hoe veele zulke morgens zag ik op den lieven heuvel van het zalig Kommerrust! weet gij nog, Karel! hoe ik dan te moede was? stel u dan ook nu voor, hoe ik hier weezen moet, waar geen trillend grasjen, geen schuddend daauwdropjen, dat daarop glinstert, rondöm mij is; daar geen enkel zangerig vogeltjen zijne wiekjens voor de morgenzon openspreidt, noch door een eenvouwig deuntjen haar welkom groet, neen niets van dit alles is hier te vinden - bij die herïnnering verliest
mijn schoone zeemorgenstond al zijnen glans, en nog meer door die nog somberder gedachte: ‘Hier is geen vriend die den morgen met mij geniet!’ Karel! kunt gij het treurig vermogen van dezelve, zonder medelijden met uwen Reinhart, gevoelen? Alles is hier doodsche majesteit, zoo eenvouwig, zoo stil als mijn ziel.
Doch neen, wat zeg ik? doodsch? - ik vergis mij, doodsch is geen hoekjen der wereld - en vooral geen oceaan, daar 't wriemelt van levendige, hun aanzijn gevoelende, en voor genot vatbaare wezens - wie weet, hoe veele derzelven zig met mij verheugen in de verrijzing van den morgen? De alkoesterende straalen der zon, dringen ook in de diepe waterverblijven door; en kweeken daar leven. Wie weet hoe veele, aan de rotsen gehechte hoorn- en schulp-vischjens, hoe veele in aanzienlijker wooningen verzamelde maatschappijen van zeediertjens, hoe veele in de zeeplanten levende, insectjens, met het licht, ook nieuw leven gevoelen? Wie weet, of de vervolgende rover en de angstvallige vlugteling, op den bodem des oceaans, dit schoone licht in hun verblijf niet tegensnakten, om elk naar zijne bestemming voordtewerken: o! dit lieve denkbeeld van medegevoel der schepselen, versterkt mijn genot, en ik ben niet meer zoo gansch eenzaam.