Ik kom zoo even van het half dek, en heb daar, bij eigene ervaring, eene, voor mij, nog nieuwe schoonheid ontdekt. Het is donker; de nacht spreidt een veel meer dan vaalen sluier over de zee; ik hoor het brullen haarer baaren - maar kan dezelven naauwlijks onderscheiden, dan door het vuur, dat rondöm ons schip daarop schittert: wij drijven, als door een' stroom van vonken, en ook achter ons schip zie ik nog een eind weegs de streek die wij bevoeren; wist ik niet dat dit verschijnsel niet ongewoon is, en veroorzaakt wordt, door zeer kleine, voor 't bloote oog onkennelijke insectjens, die het vergrootglas van schrandere Natuurkenners ontdekte; ik zou zeker op zulk eene vertooning akelig geworden zijn; en nu verbaast dezelve mij aangenaam: duizende milioenen van diertjens drijven dan hier rondöm ons, en de beweeging van onze dobberende woning, doet de lichtdeeltjens die in hun klein, onbemerkbaar, ligchaam woonen, sterker flonkeren, en hun taai leven wordt niet vernield door het slaan der golven: op deezen woesten ontzachlijken oceaan, in dit groot Rijk van, door almagt gevormde, schepselen, worden dan ook deeze onzienlijke diertjens van den grooten Schepper niet vergeeten! -
neen, ook zij worden gevoed; hun heldere glans getuigt van hun inwendig leven, en levert een nieuwe proef van eene vindingrijke oorzaak op, die menschen opgetogen houdt.
Na dat ik lang op deeze diertjens, of veel meer op de lichtende golven, gestaard had, sloeg ik het oog naar den ernstigen, met wolken bedekten, hemel: slechts hier en daar was door 't gebroken zwerk eene enkele star te zien; boven allen blonk, tusschen twee grauwe wolkstreepen, de noordstar met schitterende glanzen, die den glans van de andere enkele starren ver overtrof, door; vriendlijk scheen zij ons toetelachen, even of zij ons gerust wilde stellen, dat, ofschoon haare zusters het aangezicht voor ons bedekten, en ons eenzaam zwerven lieten, zij evenwel onze leidster in deeze gevaarlijke zeewoestijn blijven wilde: haar aanblik in deeze luchtsgesteldheid verblijdde mij meer dan gewoon - en in eene soort van enthusiasme hield mijn hart haar deeze lofrede:
‘O! gij veilige gids op woeste paden! - vertrouwen van elk zwervend zeeman! vriend van verlaatenen! laatste toevlugt van verdoolde ongelukkigen! - uw aanblik is mij liever dan de morgenstar: de ervaren zeebouwer ziet u aan, en richt zijne drijvende wooning
naar de streek die hij zoekt: hoe veele hoopeloozen heeft uw glans weder vreugde ingestort! - hoe welkom waart gij menigen rampspoedigen schipbreukeling, die, zonder compas, in een armoedig vaartuig, hier op de gunst van het toeval dreef, en niet wist waar hij zig bevond toen gij u verborgt; hij zag u door de nevelen breeken, en de donkere nacht werd middag, de onzekerheid gewis, de vertwijfeling hoop, en de toekomst vrolijk, voor hem:’ zoo dacht ik, en onbeweegelijk bleef mijn oog op de noordstar, en de wolken die haar omringden rusten: denk evenwel niet dat ik afgodischen eerbied bij deezen aanblik gevoelde; mogelijk zou ik dit gedaan, en dit hemelverschijnsel als de weldaadigste Godheid na de zon beschouwd hebben, wanneer ik een heiden ware geweest, en met mijn tegenwoordig gevoel de noordstar had aangestaard; maar nu werkte het geheel anders; ik zie in die starren niets meer dan eenige van die duizenden zonnen, die het eeuwig licht voordbragt, om in de oneindige ruimte te gloejen - en daar vermelders van zijne almagt voor onze aarde, en misschien voor een heir van werelden te worden.
En, ik dacht daar bij, hetgeen deeze star op onzen kloot voor den zeeman is, dat is mij, op den woesten gevaar-vollen, dikwijls onstuimigen oceaan van dit leven, het woord van God: hier, waar
zoo veele onheilen ons omringen, waar zoo veel onzekerheid ontrust, en zoo veel schijn bedriegen kan; hier, waar, bij het afwijken van de rechte streek, zoo veele verborgene klippen, heimelijk den dood dreigen - waar, van het missen van den afgebakenden weg geen klein, maar een eeuwig geluk of onheil, afhangt, hier is een veilige gids allerzekerst noodig, of wij zouden onherstelbaar kunnen verlooren zijn: de eeuwigheid is wel het onbekende land, waar wij allen heen zeilen, doch het is niet evenveel, van welke zijde wij dat aandoen: aan den eenen oever is onstervelijke roem, onstervelijke vreugd, en zalige rust te verkrijgen, en aan den anderen, niets dan einzelooze jammer, hoopeloos naberouw, en smachtende ellende, inteoogsten: voorzichtigheid komt dan eenen reiziger naar de eeuwigheid, zeker veel meer dan den grootsten zeeheld te pas; zoo veel meer, als zijn gevaar grooter en zijne uitkomst belangrijker is - Hemelsche wijsheid! beziel mij dan; stuur gij mijne brooze kiel in het veilige midden, tusschen draaikolken en klippen door! laat uw woord, mijn Heiland! het woord des levens, mij altijd den rechten, den kortsten, den veiligsten weg wijzen, naar die zalige haven, waar ik rust naa moeite, en belooning naa lijden, van uwe goedheid verwacht!
Dit was mijn avondgebed; met deeze gedach-
te in mijn ziel ga ik nu slaapen, en in een geruststellend gevoel, dat ik altijd, bij dien toevlugt, veilig zijn zal, leg ik mij neêr, om of hier, of in de eeuwigheid, zoo als Gods wijsheid over mij besloot, weder optewaaken. Goeden nacht, lieve Karel!