terug  begin  verder

XXI.

Goede morgen, lieve Karel! nooit begin ik den dag, zonder te denken aan mijne moeder en mijnen vriend, en hoe veel meer deed ik dit deezen morgen, daar mijne geheele ziel in de bedwelming des slaaps, den gantschen nacht bij u tegenwoordig was, vertrouwelijk met u sprak, en van geene scheiding wist! en geen wonder! mijn aangenaame droom, was slechts een uitbreiding, of liever eene wending deezer denkbeelden, met welken ik gisteren-nacht insluimerde: de kleinste, de onaanmerkelijkste omstan-

[p. 108]origineel

digheden, doen dikwijls de sterkste werking op ons hart; dit ondervond ik duidelijk, toen ik deezen nacht, door veele bedenkingen ontrust, nog eenigen tijd slaapeloos op mijn leger nederlag: de zee was vrij stil, en het gedruis van wind en golven, was niet afmattend; ten minsten ik hoorde het gekraai der haanen, die hier, even als op den vasten grond, door hun luid geroep, het voordsnellen van de uuren des nachts aankondigen, door hetzelve heen; en den doordringenden toon van dien vogel des nachts, werd een lied van herinnering voor mijne nadenkende ziel: een zweemsel van het landelijk vermaak dat ik bij dit geluid zoo dikwijls op Kommerrust genoten had, herleefde in mij: eenige bijzondere tooneelen, bij welke het vooral zijne werking deed, kwamen mij voor den geest - ik dacht aan die nachten, in welken ik, luisterende naar het somber klaaglied der uilen, in ernstige gedachten, als een voor vreugde ongevoelig wijsgeer, eenzaam onder het oud geboomte ronddwaalde, en tog een zeer statig, voor mijn hart berekend, vermaak genoot; of aan die schoone vrolijke of streelende nachten, in welken wij, naar het klaagend, het teder en kwijnend lied van den verliefden vogel der lente, in gezellig vermaak, luisterende, op bedaauwde graspaadjens omdoolden, en bij dit verrukkend nachtconsert, de rusttijd vergaten - dan verkondigde ons dit getrouwe dier den ver-

[p. 109]origineel

dwijnenden nacht aan, en lokte ons naar het gebied van den krachtherstellenden slaap: hoe dikwijls riep, op eenen anderen tijd, zijne luide morgengroet, die hij al klapwiekende aan de ontwaakte Natuur toezwaaide, en die een menigte zijner broederen, op de omgelegene landhutten al kraajende beantwoordde, mij van het logge nachtleger af, en lokte mij, om den schoon verrijzenden dag, met alle de chooren der gevoelige wezens, toetejuichen! o! hoe zegende ik dan, bij deszelfs streelend genot, den goeden haan, die mij aan de bedwelming des slaaps ontvoerd, en tot een genietend wezen gemaakt had! en Karel! herinnering aan alle die schoone nachten, aan alle die lieve morgens, hoorde ik in het gekraai van deeze scheepshaanen; maar tevens gevoelde ik geheel dat zij voorbij waren, en mijne vrolijkheid stierf met de toonen van deeze dieren; zoo viel ik eindelijk in slaap; en een weldaadige droom deed mij in een der priëelen van Kommerrust vertoeven, tot ik deezen morgen mijne oogen in de enge slaapkoets der cajuit opende, en bemerkte dat al mijn geluk een harsenschim, en niets meer was.

terug  begin  verder