terug  begin  verder
[p. 110]origineel

XXII.

Rasscher verandering van tooneel, dan ik deezen morgen gewaar werd, zag ik mijn leven niet. Ik stond op het verdek; staarde met een oog vol bewonderend welgevallen, op de rustige vlakte der stille zee, die zig met de effenbaarheid van een schoone rivier, in eene aangenaame gedaante vertoonde, en zoo wel het helder blaauw van den onbewolkten hemel, als de witte zeilen van het langzaam drijvende schip, met gebrokene beelden terug kaatste: geen golfjen danste, en de logge zeehond dreef in een gerusten slaap op den onbewoogen Oceaan voord; het wand hong slap, geen koeltjen blies 'er in; het topzeil alleen rilde zachtjens door het golven der lucht, die wij onmerkbaar kliefden; geen windjen suisde door de lucht, de witte meeuwen die, met wijd ontplooide vlerken, gins en weder zweefden, zonken, door geenen voorddrijvenden wind bestuurd, met een matte logheid op het stille water, dat hunne loome vlugt afbeeldde, krachtloos neder; de vaardige matroos greep na dezelven, en zonder tegenweer kreeg hij zijne versche spijs in handen - dit rustig tooneel stortte een kalme rust in mijn hart; dan zag ik de stille zee, dan den schoonen hemel aan, en de gedachte: ‘Hoe onzeker

[p. 111]origineel

is deeze rust!’ kwam niet eens in mij op. Op eenmaal verschijnt 'er een klein wit wolkjen aan den westlijken zichteinder; zelfs dit wolkjen geviel mij, en op den aangroei van hetzelve te staaren, zou mij, die geen voorteken van eenen orcaan daarin kende, zelfs genoegelijk geweest zijn; doch eene geheel andere uitwerking had het gezicht van dit wolkjen op den Stuurman en Capitein, deezen gaven oogenbliklijk bevel om de meeste zeilen te strijken, ten einde het naderend gevaar zoo veel mogelijk te ontwijken: de schielijke beweging der matroozen - het geraas der kabels en touwen - de onrustige trek op 't gelaat der scheepshoofden, bragten mij in eene geheel andere zielsstemming, dan een oogenblik te vooren, en bereidden mij zeer schielijk, voor een plechtige tooneelsverandering, die oogenbliklijk volgde. Nog naauwlijks waren de zeilen gevallen, of op eens laat zig een hard gesuis hooren; een felle wind steekt op - hij wordt straks een woedende orcaan, die al gierend en loejend op het schip aanvalt, het dan ginds, dan herwaards heen dringt, die het bezaanszijl met een ijsselijk geweld verscheurde, den hoogen mast kraaken deed, en door de onzekerheid van zijne duurzaamheid, het hart meer drukt dan de elkander aanpersende winden, de geschokte wooning konden doen - de zee bleef intusschen even stil als te vooren; en terwijl de dampkring

[p. 112]origineel

geheel beroerd was, in de streek waar wij ons bevonden - was het vrede en rust in haar gebied, en het contrast dat zij maakte, was zoo zeldzaam als verbazend: doch niet lang duurde het, of ook de winden vlooden in hunne schuilplaatzen te rug - de voorige stilte keerde weder, en de vrolijke hemel verdreef den kommer die het oogenbliklijk verschijnzel veroorzaakt had; en ik, met alle mijne scheepsgenooten uit dit gevaar gered, dankte dien God, dien ik zoo majestueus op de vleugelen des winds had zien wandelen, voor zijne veilige bewaaring.

terug  begin  verder