terug  begin  verder

XXVI.

'Er is een ongewoone branding op zee, de golven donderen en schuimen sterker, zij rijzen trotscher, daalen dieper, en slaan met onstuimig geweld tegen elkander aan; wij moeten of digt bij land, of omringd zijn van verborgene klippen, op wier steenigen rug de golven zig breeken, en daardoor deeze beweeging veroorzaaken - dit laatste denkbeeld maakt mij eenigzins akelig. Een onzeker en verborgen gevaar, is meer benaauwend dan dat, waartegen men zig door vooruitzien wapenen kan - doch wel-

[p. 126]origineel

ligt is ook het eerste waar; en waartoe dan de onrustige vrees?

 

Sedert wij de Canarische Eilanden voorbij zeilden, hadden wij - een paar dagen windstilte uitgesloten - gestadig goeden wind, en maakten goeden spoed; maar zelden behoefden de matroozen de zeilen te veranderen; de stuurman leidde meestal het schip met het enkelde roer de effene zee door, en zachtjens aan, zeilden wij de nieuwe wereld binnen: 'er zwerven dikwijls Zeehonden rondom ons heen, en ik zie ze gaarne, om dat zij goed weder verkondigen; de scheepslieden vangen 'er somwijl, doch meer visschen zij naar andere groote, en in mijn vaderland geheel onbekende, water-dieren; dit werk geeft de matroozen eene nuttige bezigheid, en somwijl eene aangenaame verversching tusschen de drooge scheepskost, die..... maar wacht, ik hoor een vreemd geroep, en ga even naar buiten.

 

Goede tijding, lieve Karel! wij zijn in 't gezicht der Kaapverdische Eilanden; de matroos die in den mast klom, bericht ons derzelver ligging: voor ons oog, hier beneden op het schip, is nog niets zichtbaar; en den scheepsjongen naateklimmen, valt niet recht in mijn'

[p. 127]origineel

smaak; zonder eene angstige huivering zie ik hem nooit, langs zijn kabelladder, met de vlugheid van een eekhoorn in onze bosschen, den steilen mast beklimmen, en met de gerustheid van eenen vogel op den beweegenden tak van eenen trotschen Den, in zijn top zitten, terwijl de golven, onder hem, schuimen en brullen, en zijn tuimelend verblijf doen schommelen - o! hoe goed is het ook dat Natuur andere geniën, andere harten schiep dan het mijne, Karel!

 

Intusschen verheugt mij dit mastbericht, schoon ik niet geloof dat de streek, welke ons schip neemen zal, zoo digt langs deeze schoone vruchtbaare, en gematigde Eilanden ligt, dat mijn oog zig in hunne schoonheid verkwikken zal. Ik weet nu de oorzaak der ongewoone branding; ik weet dat wij voorderen op onzen weg; en wiste ik dit ook niet, dan zou eene enkelde blik op den starrenhemel, bij eenen helderen nacht, mij overtuigen, dat ik mij meer en meer van mijn Vaderland verwijder, en het zuidelijk halfrond nader - ik zie thans geheel andere gestarnten, dan ik, in dit jaargetijde, daar immer zag; en sommige van die, welke ik daar kende, ontvluchten mij hier. Gij weet, Karel! ik ben een volslagen vreemdeling in het gewest der starren: de naamen, het getal, van die duizenden van stippen, die in het blaauw azuur flonkeren, de bepaaling van

[p. 128]origineel

derzelver grootte en afstanden, is mij een ondoorzoekelijk geheim; maar op den blaauwen, met zonnen bezaaiden hemel, te staaren, en in al dien gloed, in al den glans, de vonken van het eeuwig licht te zien straalen; bij deeze wonderen van godlijk alvermogen de kleinheid van den stervelijken worm, den mensch, te gevoelen, die, op deezen kloot geplaatst, bij alle de onbeantwoorde vraagen van zijn leergierig verstand, niets doen kan, dan zig verwonderen en aanbidden; dit, weet gij, was bij schoone nachten altijd mijne geliefde bezigheid; en, zonder den naam of grootte van sommige starren te weeten, leerde ik eenige derzelven kennen, en merkte ook in den hemel, de wisseling der jaargetijden, of liever den voordgang van onzen kloot op haaren hemelkring, duidelijk op.

 

Nu zie ik op, en alles schijnt verplaatst - ik zie eenen anderen hemel boven mij, die mij bevestigt in eene waarheid, welke mijn hart zoo diep gevoelt, dat ik een vreemdeling, een omzwerver op de aarde ben, en mij al verder en verder van die wezens verwijder, waarin het eens al zijn geluk vond: bij deeze gedachten moet ik zuchten, Karel! en ik wil tog niet moedeloos zuchten; ik wil danken voor al het goede, dat mijn lot verzacht.

 

Hoe voorspoedig is tot nog toe onze reis!

[p. 129]origineel

zou ik dien aanvangelijken voorspoed geene voorspelling voor de toekomst durven maaken? doch neen; dit ware geheel onvoorzichtig; dan zou een storm, die welligt eerstdaags op handen is, ook die hoop even rasch vernietigen kunnen: het gaat tog op de zee, even als in het menschlijk leven; kwaade dagen volgen de goeden op, en na regen komt ook weder zonneschijn: en dit alles heeft verband met elkander, als deelen van het schoone geheel; als middelen tot het groote plan, 't welk de eeuwige Wijsheid in de vorming der menschen bedoelt.

terug  begin  verder