terug  begin  verder

XXVIII.

Al wiste ik niet, dat wij sedert lang onder de verzengde luchtstreek zwerven, zoo zou de brandende hitte, in welke wij ademen mij dit leeren. De lucht drukt ons met een loodachtige zwaarte neder; het ademen is moejelijk; geen enkel windjen schudt den zwaarbeladenen dampkring, noch koelt ons gloejend gelaat, en het wand hangt slap als een verwelkt blad: wij liggen beweegenloos op een volmaakt gladde zee; doch de

[p. 135]origineel

hemel is, dank zij de Algoedheid! digt betrokken; schoot de zon thans haare straalen op ons neder, dan zouden wij door de hitte versmooren; maar die weldaadige verzorger geeft ons de wolken tot gordijnen; en wij versmachten niet. O! hoe verkwikkend zou thans een koele regen zijn, voor zulken aamechtigen reiziger als thans uw matte naar versch water dorstige, en zelfs tot schrijven lustlooze vriend is.

terug  begin  verder