De benaauwde hitte veroorzaakt veele ziekten onder het bootsvolk: nu en dan sterft 'er een weg, terwijl anderen in de benaauwdheid van eene koortsige hitte, naar den laatsten adem schijnen te smachten: zoo wel het lijden deezer menschen, als de omstandigheden, welke hetzelve vergezellen, wekken mijn mededoogen op, en hunne laatste uitvaart maakt mij droevig; terwijl de gedachte: ‘misschien wordt dit ook mijn lot,’ een somberer schaduw over deeze treurige voorwerpen verspreidt.
Zoo even zag ik op scheepswijze de laatste eer aan het lijk van een der braafste matroozen bewijzen: het was een jong mensch, wiens gelaat zeer weinige indrukken van de ruwheid van
zijne levenswijs ontvangen had; de menschheid was 'er op getekend, natuur sprak in zijn hart, en hij was echtgenoot en vader - alle zijne gesprekken, zijn laatste groet, welke hij den Capitein voor zijne vrouw en kinderen achterliet, ademden tedere liefde, en bewezen duidelijk dat standvastige trouw zoo wel onder het ruw matroozenkleed, als onder de eenvoudige herderspij schuilen kan - meer dan eens heb ik hem in zijne ziekte bezocht, en over de eenige wijze om wèl te sterven met hem gehandeld; doch, overwonnen door tegenwoordige smerte, hechtte hij weinig op zijn toekomstigen staat; en de naderende eeuwigheid had voor zijnen bedwelmden, door lijden afgematten geest, zoo min akeligheid als vreugde; in deeze sluimering verliet hij den tijd, en het stof - en vol nagedachte, vol medelijden - staarde ik op zijn lot, en wijde hem een menschlievenden traan: hij beminde de zijnen, en moest, verre van hunne hulp, van hunne zorg en medelijden verwijderd, onder vreemde, ruwe reisgenooten sterven; moest hen welligt in kommer en behoefte achterlaaten, terwijl hij den troost miste van hun een laatst vaarwel zelf te kunnen geeven - en, dat meer is, geen Godsdienstige troost, geen blijde hoop van wederzien, verzachtte zijne smerten toen - toen hij alles wat hem lief was, achterliet, en een onbekende wereld instapte: nu zonk hij daar weg: geen doodklok bromt bij zijn graf, geen spade delft zijne rustplaats in
den boezem der aarde; neen, een plank is zijn doodkist, en de golven zijn zijn graf - hij zinkt in dezelve op den bodem der zee neder, en word een prooi van het verslindend gedrocht, dat om hem schuifelt - geen bloedverwant, geen vriend geleidde hem naar zijne laatste wooning, geen traan besproeide zijn lijk: een koel - ‘Het is jammer, hij was een braaf karel’ - is de lofspraak van zijne makkers: zij binden hem op eene plank; werpen hem weg; een ander vervult zijne plaats; en hij is rasch geheel vergeeten.
Ondertusschen reist hem welligt zijne verlaaten echtgenoote, van haar ongeval onbewust, met haare gedachten naa; spreekt met haare kinderen van hunnen reizenden vader; denkt aan hem, bezorgd voor zijn gevaar, bij elken bulderenden storm; beeft bij kwaade scheepstijdingen voor zijn lot; berekent met een pijnlijk verlangen, de waarschijnelijke maanden van haare eenzaamheid, en snakt naar zijne wederkomst: en met welke eene bezorgde nieuwsgierigheid, met welk een rusteloos verlangen, zal zij de eerste tijding van het wedergekeerd schip tegenijlen, vraagen naar haaren Nikolaas - en dan niets als zijnen laatsten groet, met zijne geringe nalatenschap wederkrijgen; terwijl zij zijnen naam op de lijst der dooden leezen, en uit de dagtekening van zijn afsterven
zien zal, dat de man, aan wien zij nog als levend dacht - naar wiens wederkomst zij zoo hartelijk verlangde, reeds, maanden lang, een prooi der verrotting was.
Hoe treurig maakt mij deeze bespiegeling bij eenen dooden, op welken Natuur, en lotgenootschap mij te veel betrekking geeven, om hem niet een gevoelvolle zucht natezenden: welligt zink ik hem eerlang in deeze diepte naa, terwijl dan niemant over mij zucht! bij deeze herinnering gevoel ik geheel, dat ik een zinlijk mensch ben; en ik huiver op deeze gedachte! O Karel! hoe zou mijne arme moeder bij zulk een bericht te moede zijn! - en evenwel, deeze matroos en ik, zijn immers wezens van dezelfde stof; en de kleine onderscheiding, welke het lot of de geboorte tusschen ons maakte, wordt door de dood niet erkend; doch ook bij deezen gestorvenen, gevoel ik het heil van den godsdienst, die alle scheiding ligt maakt, en alle traanen droogt; en zonder welke het leven niet is - dan een gestadig sterven.