terug  begin  verder
[p. 146]origineel

XXXI.

Toen ik deezen morgen ontwaakte, hoorde ik een luider geroep en scheepsgewoel, dan ik gewoon ben; nog maar half gekleed, begaf ik mij naar buiten, en werd verrast door een belovend gezigt: het was een snelzeilend schip, 't welk ons zoo digt genaderd was, dat wij de Hollandsche vlag van zijne mast zagen waajen: eenige matroozen maakten de sloep gereed om zig daar heen te begeven; een ander poogde door den spreekhoorn, die het geluid verre weg voert, de gewoone scheepsgroeten en vraagen verstaanbaar overtebrengen; terwijl ik, in eene aandoening tusschen verwachting en onzekerheid, met eene nieuwsgierigheid die in mijne oogen, zoo wel als in mijne houding sprak, luisterde; doch hunne taal was onverstaanbaar voor mij: welligt, dacht ik, is dit schip het onze al rasch opgevolgd, en naar de eigen kust als dit bestemd: ach! dan zal het zeker een' brief van mijne dierbaare vrienden met zig voeren; ik zal iets van hun hooren! welke gedachte! hoe onrustig klopte mij het hart bij dezelve! - doch wel rasch verdween zij op het bericht, dat dit schip naar eene andere Colonie bestemd was, en mij niets berichten kon.

[p. 147]origineel

Dat dit teleurstelling heeten mag, gevoelt gij, Karel! doch evenwel kreeg ik eene genoegelijke gewaarwording door de bewustheid, dat Hollanders dit schip bevolkten - dat het uit de eigene haven gezeild was, welke wij hadden verlaaten; het had voor mij iets aangenaams, dat ik onder geen' naam brengen kan; en het was mij liever dan veele andere schepen, welke ik, onkundig van het volk dat ze voerden, op eenen verderen afstand beschouwde.

 

Ik zie thans eene menigte stippen op de zee verspreid, welke, naar hunnen meerderen of minderen afstand, de gedaante van schepen vertoonen, wanneer ik dezelve door het telescoop bezie: van sommigen kan ik de flikkering der witte zeilen, wanneer de zon daarop glanst, duidelijk bespeuren; doch hunne gedaantevertooning wisselt gedurig af, en somwijl verdwijnen zij geheel uit mijn oog, tot dat ik hen op een andere streek wedervind - welligt zal 'er onder deeze schepen één zijn, dat mijnen wensch vervullen zal: doch waarom laat ik mijne rust door die onzekere hoop stooren? laat ik liever die gedachte, even als een onrijpe vrucht, wegwerpen, dan dezelve tot mijne schade genieten.

 

Ook dit denkbeeld geeft mij eenig genoegen: de zee is een tooneel, waarop eene menigte

[p. 148]origineel

volken, van alle wereldöorden zamenvloeien, om elk hunne rol te speelen; die wijde vloed, die met onafmeetelijke ruimten de bekende werelddeelen van elkander scheidt - die, naar men zeggen zou, de verschillende volken onherstelbaar van elkander scheuren moest, is juist de onbreekbaare band hunner verëeniging; menschen, die den noord- en zuid-pool bewoonen, kunnen, door de zee, gemeenschap met elkander houden; zij is de ruime weg, dien alle natiën betreden mogen, en de bron van zegen, welke de milde Natuur voor allen vloejen doet; waarop de Othaheiter en de Laplander het zelfde recht hebben, en die America en Europa beiden met overvloed verrijkt.

 

Doch diezelfde zee is ook al te dikwijls, zoo wel als de aarde, het treurig tooneel van menschlijke rampzaligheid, waar onrechtvaardige heerschzucht de onnozelheid verdrukt; waar de wreede sterkergewapende den onschuldigen zwakkeren overwint; waar geweld het recht der Natuur verkracht; met één woord, waar de woedende driften der menschen, zig met die der elementen somwijl vereenigen om 'er ellenden en dood te zaajen: moest dan de woeste zee nog woester worden door de boosheid van haare bevolkers? is 'er dan geen verblijf in de wereld waar menschlijke woelingen geene onheilen zaaide, om smerten inteoogsten?

[p. 149]origineel

O! hoe zoet zou het zijn, wanneer menschen en menschen elkander broederlijk beminden; als elk aardbewooner, als elk zwerver op dit onherbergzaam element, waar hij met zijne lotgenooten aan dezelfde gevaaren en winden onderworpen is, en hetzelfde doel bejaagt; als elk vreemdeling, het zij hij het volkrijk Europa, of de eilanden der stille zuidzee tot een moederland heeft, als deeze allen, elk in elkander, een' vriend, een' helper, een' bevorderaar van zijne belangen, en nooit een' vijand, geen' verader, geen' wreedaart, vonden! doch welk een wensch! hoe ijdel is hij zoo lang de beste mensch nog een sterveling is! eene andere wereld zal op deeze volgen, maar waar geregtigheid woonen zal.

terug  begin  verder