deed; hoe ik het lied der nachtegaalen daardoor uitlokte, en dat vervong; hoe dikwijls de vertederende echo, wanneer ik in de heilige schaduw, waarin zij zig verschuilde, een adagio speelde, meêklaagde met den gevoelvollen jongeling, en nu hier - 't is waar, hier zijn geene boschjens, geene philomeelen die met mij klaagen; geene beekjens wier muzikaal gemurmel harmonisch klonk met mijne toonen; geene zuide windjens die mijne stille klagten op hunne wiekjens aan de vrienden van mijn hart overvoeren; 't is niet dan voor bulderende golven, voor onmededogende rotsen, en ruwe scheepslieden dat mijne toonen klinken - maar op mijn hart doen zij, zoo niet dezelfde, tog eene gelukkige uitwerking; vrolijke zangen speel ik wel nooit; dan zeker zou een gelukkiger lot de snaaren mijner ziele anders moeten gestemd hebben; of ik zou minder gevoelig moeten zijn: neen; mijne toonen zijn meestal die der klaagende droefgeestigheid, of der duldende hoop; en die liederen, in wier woorden deeze hartstochten worden uitgedrukt, zijn belang-vol voor mijne ziel: dikwijls zing ik ook de volgende Coupletten van Lavaters lied op den dood, terwijl ik al den troost gevoel, welken de dood - dit schrikbeeld voor een gelukkig mensch - aan eenen ongelukkigen, - dan, als hij een christen is, kan instorten: hoe dikwijls is mij, in moedelooze luimen, het uitzicht
op de rust, die hij schenken zal, zoet! en dan zing ik met mijnen dichter:
Op eenen anderen tijd, geheel doordrongen van het gevoel der vergankelijkheid van de beste genoegens der wereld, zing ik dit Levenslied, van eenen ander Duitschen Dichter; ik vond het onlangs, en vertaalde het: laat Charlotte het leezen, en oordeelen hoe juist het in den mond van Reinhart voegt:
Hoe veele hartlijke, hoe veele aangenaame traanen van terugdenking, en nagevoel, rollen dikwijls langs mijne wangen, bij het uiten deezer
woorden! hoe smelt mijn hart onder dezelve, terwijl ik aan de goudene droomen mijner jeugd, aan de paradijzen mijner verbeelding, die, helaas! in woestenijen veranderden, weemoedig te rug denk! O Karel! wat beloofde de toekomst, aan een hart, zoo vatbaar voor Natuur en vriendschap als het mijne, niet veel! aan uwen arm, in de schaduw van uwe grijze boomen, zag ik duizend, duizend stille, hartbevredigende genoegens vooruit; welke nu, als verstrooide brokken van een ingestorte ruïne, voor mij liggen: mijn lot heeft alles vernietigd! alles - wat zeg ik! - neen, niet alles, Karel! mijn hoop heeft niet enkel in het losse zand der ondermaansche verwisselingen, geheel voor de vergankelijkheid gebouwd; neen! ook op den rotsvasten grond der eeuwigheid, heeft zij duurzaame zaligheden gesticht, wier vooruitzicht hier gemis en lijden verzachten; dit leven is tog kort, en zeer rasch met alle zijne moeite, en alle zijne kwellingen doorgedroomd; lijden en vreugde wisselen zig, in deezen engen kring, duizendmaal af, en eerst buiten deszelfs grenzen, is alles geruste en onstoorbaare genieting: hier zucht ik eens, en zing al zuchtende een lied des levens, terwijl ik vrolijk aan het sterven denk: maar daar, zijn moeite, lijden, en zorgen dood; en de dood overwonnen: daar zingt men niet dan Jubelliederen, en het voldaane hart zal daar geen' klaagtoon kennen; daar, mijn vriend! zal ik niet meer eenzaam de snaaren van mijn
zwak speeltuig spannen, en een treurige solo doen klinken; neen; de toon onzer hemelharpen zal dan, even als dien van ons hart, harmonie zijn!