terug  begin  verder

XXXIV.

Mijne speeltuigen, zeide ik u reeds, vooral mijn dwarsfluit, bewijzen mij ook dikwijls eenen zeer aangenaamen dienst: gij kent de kracht der muzijk op mijn hart; gij weet hoe dikwijls ik de boschjens, de heuvelen, de stille velden, naar de toonen van mijne dwarsfluit luisteren

[p. 163]origineel

deed; hoe ik het lied der nachtegaalen daardoor uitlokte, en dat vervong; hoe dikwijls de vertederende echo, wanneer ik in de heilige schaduw, waarin zij zig verschuilde, een adagio speelde, meêklaagde met den gevoelvollen jongeling, en nu hier - 't is waar, hier zijn geene boschjens, geene philomeelen die met mij klaagen; geene beekjens wier muzikaal gemurmel harmonisch klonk met mijne toonen; geene zuide windjens die mijne stille klagten op hunne wiekjens aan de vrienden van mijn hart overvoeren; 't is niet dan voor bulderende golven, voor onmededogende rotsen, en ruwe scheepslieden dat mijne toonen klinken - maar op mijn hart doen zij, zoo niet dezelfde, tog eene gelukkige uitwerking; vrolijke zangen speel ik wel nooit; dan zeker zou een gelukkiger lot de snaaren mijner ziele anders moeten gestemd hebben; of ik zou minder gevoelig moeten zijn: neen; mijne toonen zijn meestal die der klaagende droefgeestigheid, of der duldende hoop; en die liederen, in wier woorden deeze hartstochten worden uitgedrukt, zijn belang-vol voor mijne ziel: dikwijls zing ik ook de volgende Coupletten van Lavaters lied op den dood, terwijl ik al den troost gevoel, welken de dood - dit schrikbeeld voor een gelukkig mensch - aan eenen ongelukkigen, - dan, als hij een christen is, kan instorten: hoe dikwijls is mij, in moedelooze luimen, het uitzicht

[p. 164]origineel

op de rust, die hij schenken zal, zoet! en dan zing ik met mijnen dichter:

 
Bange doodschrik wijk voor eeuwig,
 
Juich in 't sterven, vrolijke hart!
 
Ligt mijn lijk daar koud en zielloos,
 
't Ligt ook eeuwig vrij van smart;
 
Elke traanen-bron verteert,
 
Als mijn stof het stof vermeert.
 
 
 
Dood! gij heelt tog alle wonden;
 
Zelfs het spoor van elke wond;
 
Gij, gij voert me in englenarmen:
 
Vliegt mij de adem van den mond,
 
Dekt de nacht mijn koud gebeent,
 
O! dan heb ik uitgeweend.
 
 
 
Beste vriend! aan uwe zijde,
 
In een voorjaars avondstond,
 
Als ik niet dan vreugde kende,
 
En geen' wensch meer ovrig vond,
 
Heb ik soms de nietigheid,
 
Zelfs der beste vreugd beschreid.
 
 
[p. 165]origineel
 
Hier niet, daar slechts, daar slechts vloejen,
 
Vreugden, door geen smart vergald,
 
'k Drink die eens met volle teugen,
 
Als 't mijn vaders wil gevalt,
 
En voor zorgen, en voor nood,
 
Neemt de rust mij in haar' schoot.

Op eenen anderen tijd, geheel doordrongen van het gevoel der vergankelijkheid van de beste genoegens der wereld, zing ik dit Levenslied, van eenen ander Duitschen Dichter; ik vond het onlangs, en vertaalde het: laat Charlotte het leezen, en oordeelen hoe juist het in den mond van Reinhart voegt:

Levenslied
 
Vindt de reinste vreugd des levens,
 
In den kolk des tijds haar graf?
 
Moet ook 't best genot verdwijnen?
 
Sille traanen vloeit dan af!
 
 
 
Jongling met uw voelend harte,
 
Dat slechts tedre min behoeft,
 
Ach! gij weet nog niet hoe 't wijken,
 
Deezer schim het hart bedroeft.
 
 
[p. 166]origineel
 
Zoet, met toverwiekjens, speelen
 
Hersenbeelden om ons heen;
 
Doch de toekomst, bragt zij immer
 
't Geen zij vleiend spelde? - Neen!
 
 
 
In het land der gulden schimmen
 
Droomen wij van eeuwigheid;
 
Bouwen wij op lossen zandgrond
 
Sloten der verganklykheid:
 
 
 
Al die schoone lentebloesems
 
Treft een ruwe noordewind;
 
Die, terwijl gij zachtjes sluimert
 
Heel uw paradijs verslindt;
 
 
 
Zalig, die een open hemel
 
Aan het eind der loopbaan ziet!
 
Hij alleen kan veilig hoopen,
 
Schoon hem uur bij uur ontvlied.

Hoe veele hartlijke, hoe veele aangenaame traanen van terugdenking, en nagevoel, rollen dikwijls langs mijne wangen, bij het uiten deezer

[p. 167]origineel

woorden! hoe smelt mijn hart onder dezelve, terwijl ik aan de goudene droomen mijner jeugd, aan de paradijzen mijner verbeelding, die, helaas! in woestenijen veranderden, weemoedig te rug denk! O Karel! wat beloofde de toekomst, aan een hart, zoo vatbaar voor Natuur en vriendschap als het mijne, niet veel! aan uwen arm, in de schaduw van uwe grijze boomen, zag ik duizend, duizend stille, hartbevredigende genoegens vooruit; welke nu, als verstrooide brokken van een ingestorte ruïne, voor mij liggen: mijn lot heeft alles vernietigd! alles - wat zeg ik! - neen, niet alles, Karel! mijn hoop heeft niet enkel in het losse zand der ondermaansche verwisselingen, geheel voor de vergankelijkheid gebouwd; neen! ook op den rotsvasten grond der eeuwigheid, heeft zij duurzaame zaligheden gesticht, wier vooruitzicht hier gemis en lijden verzachten; dit leven is tog kort, en zeer rasch met alle zijne moeite, en alle zijne kwellingen doorgedroomd; lijden en vreugde wisselen zig, in deezen engen kring, duizendmaal af, en eerst buiten deszelfs grenzen, is alles geruste en onstoorbaare genieting: hier zucht ik eens, en zing al zuchtende een lied des levens, terwijl ik vrolijk aan het sterven denk: maar daar, zijn moeite, lijden, en zorgen dood; en de dood overwonnen: daar zingt men niet dan Jubelliederen, en het voldaane hart zal daar geen' klaagtoon kennen; daar, mijn vriend! zal ik niet meer eenzaam de snaaren van mijn

[p. 168]origineel

zwak speeltuig spannen, en een treurige solo doen klinken; neen; de toon onzer hemelharpen zal dan, even als dien van ons hart, harmonie zijn!

terug  begin  verder