terug  begin  verder
[p. 199]origineel

XXXVIII.

Alle dingen verliezen tog hunne kracht door den tijd, en de gewoonheid ontneemt zoo wel het treffende aan de schoonste tooneelen, als aan het kwellend verdriet: die grootsche, die trotsgolvende Oceaan, wiens majestueuze gedaante mij in den aanvang mijner reize zoo trof, en mijne oogen aan zijne eenvormige beweeging zoo dikwijls kluisterde, is nog dezelfde die hij toen was; maar voor mij heeft hij een groot deel van zijne ontzachlijkheid, van zijne eerbiedwekkende grootheid verlooren: de zon rijst, bijna alle dagen, met denzelfden luister uit den schoot des Oceaans op; de maan spiegelt zig even zacht en glorievol in zijne schuddende golven; maar dat alles is nu voor mij niet meer dat, wat het in den aanvang van mijne reize was; alle die vertooningen zijn te gemeenzaam met mij geworden, en hebben haare kracht, om te verrukken, voor mij verlooren; ik vind ze daarom schoon, dewijl ik overal Natuur schoon vind; maar ik verlang hartlijk, om deeze rijke moeder, minder eenzelvig, op een meer verschillend tooneel, in werking te zien; ik gevoel al te duidelijk, dat mijne ziel voor veel meer gewaarwordingen vatbaar is, dan hier binnen mijn bereik zijn; met één woord, ik ver-

[p. 200]origineel

lang na nieuwe tooneelen, en wel eigenlijk na land; na land dat ik in zoo veele weeken niet zag, en onze nadering aan hetzelve, doet mijne begeerte na de moederlijke aarde groejen: naarmaate ik nader onder 't bereik van uitgebreidere genietingen kom, naar die maate worden mijne behoeften voor dezelve grooter, en de bepaalde kring, waarin ik mij hier bevind, wordt zoo veel te enger en benaauwder, als ik hijg naar ruimer.

 

Verandering, al ware het maar in kleinigheden, moet dikwijls nieuw leven aan het vuur van ons genoegen geeven, dat anders als een smeulende vonk in zig zelf verteert: mijn dwarsfluit en mijn guithar, blijven mijne geliefde speeltuigen; hunne toonen kunnen mij nooit onverschillig worden; het contrast, dat zij met het gedruis der golven maaken, is mij nog dikwijls zoet; maar ach! hoe gaarne zoude ik die eens hooren in den lommer van een schaduwrijken boom, in wiens takken een ruischende landwind mij zachte rust toelispelde.

 

Mijn Cheri is mij nog een even aangenaam gezelschap, en zijne vriendschap levert mij nog dezelfde genoegens op; maar hoe gaarne zou ik hem met de loopkracht van een Rhee door bosch en velden zien rennen, en hem geheel gelukkig zien! ‘Verveeling!’ staat nu op zijn trouwhartig dierengelaat getekend; hij gevoelt dat hij groo-

[p. 201]origineel

ter werkkracht van de Natuur ontving, dan hij hier, in zijn, bijna beweegenloos, scheepsleven, kan uitöefenen, en is niet gelukkig.

 

Tot hier toe wandelde ik dikwijls, met eenig vermaak, al peinzend heen en weder op het half dek, en het geheele schip langs; maar ach! hoe hartlijk verlang ik nu, om eens onder groene verwulfzels, op een begroeiden grond, te wandelen, om alle die scheepsklanken van kajuit en kampagne, van bakboord en stuurboord, van loef en lei, van halfdek en kuil, eens met die van veld en bosch, van rivier en beek, van boom en struik, van laan en loofhut te verwisselen; om het dompig gekor der zeevogelen, door het gezang der boschbewoonertjens te hooren vervangen; de voorstelling alleen, van die aanstaande verandering, doet mij het hart sterker kloppen, en eene levendiger vreugd tintelt in mijne oogen.

 

Een hoekjen van de kajuit, of het halfdek was dikwijls goed genoeg, om, bij het doorbladeren van een aangenaam, onderhoudend, leerend of vervrolijkend boek, een onvergeetelijk genoegen te verschaffen; maar hoe veel liever zullen mij die boeken, onder de schaduw der bosschen, op een lieven heuvel, of in eene rustige vlakte zijn! en waarlijk, zonder dezelven zou te land, zoo wel als ter zee, de tijd mij in naare zelfverveeling -

[p. 202]origineel

en waar is akeliger staat voor den mensch? - wegkwijnen; altijd zal ik die lieve boeken zegenen, die mijn grootst gezelschap, mijn treffendst vermaak, op eenen doodschen togt waren; hoe aangenaam hielden zij mijnen werkzaamen geest bezig; verrijkten zij hem met nieuwe denkbeelden; bewaarden zij hem voor nutlooze treurigheid, voor te veel moedloos peinzen op het droevig voorledene en onzeker toekomstige; en voor angstig naberouw, of woelige ontwerpen, die mijne rust zouden verstoord, en mijn ongeluk verzwaard hebben! hoe dikwijls leerden zij mij de lotgevallen van anderen mijner medemenschen in geen gunstiger licht, dan die van mij zelven, te plaatsen, en mij nimmer als den eenigen ongelukkigen, en altijd beklagenswaardigen sterveling, te beschouwen! hoe dikwijls spoorden zij mij aan, om het geluk niet daar te zoeken, waar zoo veele misleide menschen het waanen! Met de gelatenheid van eenen wijze, die in zijn lot getroost is, sloeg ik dikwijls het boek dat mij geleerd, en beter, of wijzer gemaakt had, toe, en mijn zegen daalde op de sluimerende asch van zijnen schrijver neder.

 

Doch al dat bedaard genoegen op mijne reize, al die te vredenheid in mijn eenzelvig leven, is nu, nu ik de aangenaame verwisseling zoo nabij zie, reeds in eene ernstige onrust, en een pijnlijk verlangen veranderd: honderd schilderijen, en

[p. 203]origineel

plannen zweeven, in geduurig verwisselende gedaanten, voor mij, en veranderen naar mijne verschillende luimen.

 

Naar de rekening van den Capitein kunnen wij niet ver van het land verwijderd zijn; 'er is evenwel nog niets zichtbaar; het waarneemend oog van den matroos verliest zig rondom, in eene nevelige zee; al meer dan eens bedroog het zig, waande land te zien; en een verdrietig bedrog geeft altijd eene onaangenaame lengte aan den tijd; ik wil des niets verwachten, voor dat ik met zekerheid kan, en het land voor mij zie.

terug  begin  verder