terug  begin  verder

XXXIX.

De merktekenen van naderend land worden meer en meer kennelijk; de gronden worden ondieper; de zee hier en daar meer met wier en kroos bedekt; nu en dan zweeft 'er een landvogel digt bij ons; ik zag zoo even een grooten boomtak, wiens milde bladen nog frisch en onverwelkt waren, langs ons schip drijven; o! hoe verkwikkelijk was mij 't gezicht van dit zachte groene blad! de geheele oeverstruik, of de boom, van welken hij een deel was, en met deezen een geheel bevallig landtooneel, kwam straks voor mijnen geest, en maakte mijne ver-

[p. 204]origineel

langens levendiger: land is 'er dan zeker nabij ons; en dit kan niet anders dan het vaste land van America weezen, naar welks oever wij bestemd zijn.

terug  begin  verder