terug  begin  verder

XL.

‘Land! Land!’ roept de matroos, uit den vérzienden top der mast, aan ons toe; eene wonderlijke aandoening brengt mijn bloed in beweeging, en doet de blos van mijn gelaat, dit voel ik duidelijk, hooger gloejen; nieuwsgierigheid en hoop, zoo wel als verveelende eenzelvigheid, maaken die tijding belangvol voor mijn hart, en zij is muzijk in mijn oor.

 

Terwijl wij, met volle zeilen naar het aanlagchend land heenstuuren, ga ik mijn scheepsleven nog eens bedaard nadenken: elf weeken heb ik in hetzelve doorgebragt, en onder eene lange rij, van, in stil vergenoegen, voordgesnelde dagen, waren zeker eenige melancholische, onbevredigde, en naar vriendschap dorstige uuren, die langzaam voordkwijnden, en zwanger waren van onbemerkt lijden; zij kwamen evenwel, zoo wel als de eersten, ook aan een einde; de wonderlijke tijd, hoe zeer hij, in verdrietvolle oogenblikken, met eenen loggen slakkentred, schijnt voord-

[p. 205]origineel

tekruipen, vliegt evenwel met zijne gewoone snelheid heen; en van achteren nagerekend, is hij weg als een gedachte, en neemt tog altijd eene menigte benaauwde zuchten, en droevige traanen, met zig mede, zoo wel als hij altijd balsem aanbrengt, die de pijnlijke wonden, door de schichten van het noodlot veroorzaakt, verzacht: hadde een goede Voorzienigheid die krachten aan den tijd niet gegeeven, voor hoe veelen ware het aardsche leven dan een eindelooze keten van ellenden! en hoe veele duizenden zouden dan, zat van duldelooze kwelling, hun aanzijn verwenschen! evenwel, wat de tijd ook doen kunne, wederbrengen wat verlooren is, ach! dit kon hij nimmer; mijne in vriendenlooze eenzaamheid doorgekwijnde jeugd, zal hij nooit weder kunnen herroepen; maar eenmaal ontnomene genoegens nog eindelijk eens wedergeeven, ja dit kan hij; mij eindelijk, al ware het aan den avond van mijn leven, nog eens in uwe armen wederbrengen, dit kan hij; maar zal hij het ook? o! al te vleiende gedachte! verdwijn uit mijne ziel, of de dagen worden mij jaaren! neen; leef in mijne ziel! versterk al haaren moed en kracht, en laat die zoete hoop mij zijn, wat de toekomstige morgen den waakenden kranke, in lijdensvolle nachten is. Karel! zal ik u eindelijk eens wederzien? o! dan wil ik de jaaren der afgescheidenheid

[p. 206]origineel

vleugelen geeven, dan wil ik uwer waardig blijven, en eens juichen in uwen arm.

terug  begin  verder