terug  begin  verder

XLI.

Ja, mijn vriend! het was zoo; het land dat zig vertoonde, was America; men behoeft nu niet meer op de mast te klimmen, om deszelfs nadering te bespeuren; ook op het benedenschip, vertoont het zig sedert lang geheel duidelijk; eerst zeer hoog en blaauw, even als een rijzend gebergte, doch allengs meer in zijne natuurlijke gedaante; en wij zetteden nu reeds, eenigen tijd, onze koers in deszelfs nabijheid, naar den streek werwaards ons schip bestemd is, voord; wij hebben reeds het lang begeerd Guiana bereikt, lieten de Colonie van *** ter zijde liggen, en zullen waarschijnelijk binnen ruim dertig uuren, die van *** aandoen, en daar de ankers laaten vallen.

 

Welk eene gemengde aandoening vermeestert mijne ziel, bij dit denkbeeld! dit zal dan de oord mijner bestemming zijn, waar eene zekere maate van lijden en vreugde voor mij bepaald is; een streek van dien grond, zal ik met vreemdelingstraanen besproejen, die welligt niemand zal afdroogen: mogelijk bloejen daar de distels

[p. 207]origineel

reeds, aan welken mijn voet zig wonden zal; of welligt ontluikt 'er het bloemtjen al, dat den gevoeligen vreemdeling zal tegengeuren - of mij daar geluk of ongeluk treffen zal, weet ik niet; maar dit, dat alles wat mij daar zal treffen, door eene wijze en goede Voorzienigheid zal bestuurd worden - dat mijn pad door haar is afgetekend; dat ik geene eene trede buiten haare leiding doen zal, en dat juist dat zelfde pad, het moge dan glibberig of vast, licht of donker, steil of effen zijn, de best geschikte toegang voor mij zal weezen, naar dat vérgelegen land der ruste, waar elk sterveling, hij moge America of Europa, Azia of Africa bewoonen, eens zijn burgerrecht wenschen zal, als hij den weg zijns aardschen levens heeft afgeloopen - dit immers is eene zekere waarheid; en zij, hoop ik, zal mijn troost blijven, hoe ook daar mijn lot vallen moge.

terug  begin  verder