terug  begin  verder

XLIII.

Deezen brief, lieve Karel! schrijf ik u niet meer in de enge cajuit van een bekrompen schip, dat door ongestadige winden voordgedreeven, somwijl een spel der tuimelende golven was; neen; ik zit thans op het vaste land, in de schaduw van het gastvrij dak eens herbergzaamen planters; alwaar ik nog eenige dagen vertoeven zal.

 

Dank dan met mij, lieve Karel! dien God, die mij door de baaren geleidde, en bragt tot de haven van mijne begeerte; wensch mij geluk met mijne behoudenis: hoe levendig gevoel ik thans het roerende van den aandrang des heiligen dichters, tot den lof van God, in deeze woorden:

 
Die hij van ver uit de oorden,
 
Van 't oost en 't westen bragt,
 
En van de zee, en 't noorden,
 
Geleidde door zijn magt;
 
Die op een aklig pad,
 
In woeste wildernissen,
 
Omzworven, en een stad
 
Ter wooning moesten missen.
[p. 210]origineel

Mijne eerste aandoening van dankbaarheid deed mij, zoo dra ik eenzaam was, knielen voor God mijnen weldoener; ik gevoelde zijne goedheid; ik gevoelde mijne verpligting, om dit weldaadig Wezen, dat, en op de zee, en op de ver gelegene gewesten der aarde, zijne menschen wéldoet, ook hier te dienen; en zijnen naam te belijden, onder volken die Hem niet kenden; en deeze verpligting was mij zaligheid.

 

Hoe veele gemengde hartstochten doorwoelden mijne ziel, toen wij de reede naderden; toen de vreugdeschooten van het bulderend kanon, door het strand en de golven der trotsche rivier, als door zoo veele klaterende echo's herhaald, mij nog terug voerden, naar de afscheidsgroeten welken voor omtrent drie maanden aan de vaderlandsche reede mijn hart verscheurden, en de sints verloopene dagen langs leidden, tot ik mij wedervond aan de plaats mijner bestemminge: toen ik het schip verliet, op 't welk ik zoo veele wonderen der schepping gezien, zoo veele bewaaringen in gevaaren ondervonden had; dat zoo veele weeken mijn zwervend verblijf geweest was, en in het welk ik gemeenzaam geworden was met de vriendenlooze eenzaamheid, waartoe mijn lot mij schikte; toen ik met de boot het vaste land naderde, mijne eerste voetstappen daarop drukte, en onder verscheidene Negers, die ik daar, in hunne vaartuigen, of op de stranden, met hunnen slaaf-

[p. t.o. 210]origineel



illustratie
welk een wonder mengzel van gewaarwordingen veroorzaakte dit alles in mij. I.D. Bladz. 211.

[p. 211]origineel

schen dienstarbeid bezig zag, 'er één vond, die mijn wegwijzer werd, naar den oord mijner bestemminge; welk een wonder mengzel van gewaarwordingen veroorzaakte dit alles in mij, dat tog in een opgetogen genoegen over de verandering van mijn verblijf eindigde! o! hoe zoet was mij de vrijheid, na dat ik zoo lang in eene drijvende gevangenis opgeslooten geweest was, toen ik gaan kon waar ik wilde, en door geene scheepsboorden meer ingeslooten werd! toen ik de frissche drooge landlucht inademde, en het zachte, het oogverkwikkende, het hartstreelende groen mij overal omringde; toen het mijn hoofd beschaduwde, en ik het met mijne voeten drukte! toen ik, in stede van het dompig gebrom der golven, het geruis der landwinden in de bladeren hoorde speelen; en in plaats van breedgewiekte graauwe zeevogelen, die mij onderwegen tog een lief gezelschap waren, kleine zangerige vogeltjens, in de boomen zag huppelen, en in hunne eenvoudige kunstlooze toonen een streelend consert hoorde! toen ik rondom mij, onder alle dieren, die vrijheid en dat geluk bespeurde, waarna ik zelf zoo snakte! de blijdschap van Cheri, die, al gillende van vreugde, heen en weder snelde, en mij dankbaar aanzag, bragt zelfs iet toe om mijn genoegen te vergrooten.

 

Onder 't geleide van mijnen Neger, kwam ik op het aanzienlijk landgoed van een welvaarend planter aan, die mijne komst nieuwsgierig tegen-

[p. 212]origineel

zag; hij is de vriend van mijnen toekomstigen beschermer, die eenige uuren van hem verwijderd, zijne wooning heeft. Men bejegent mij hier, naar het gastvrije gebruik deezer landen, zeer minzaam en gul; ik zal denkelijk nog een paar dagen onder dit herbergzaame dak vertoeven, deeze vriendlijke behandeling, jegens mij onbekenden jongeling, stort mij moed in voor 't vervolg, en dankbaarheid aan den God die vreemdelingen behoedt.

 

Men zegt mij dat 'er een schip naar het vaderland zeilreê ligt, welks brievenzak morgen sluit; ik zal dit bericht van mijne behoudene aankomst, met alle mijne, op de reis geschrevene brieven, aan hetzelve medegeeven: hoe veel uit het hart van uwen vriend, zult gij daarin vinden! hoe belangrijk zal u deeze bondel zijn! en behoef ik mijnen Karel wel te vraagen om het ingeslooten paquetjen, zoo rasch mogelijk, aan mijne moeder te overhandigen? het denkbeeld, hoe zeer gij die dierbaare, verlangende vrouw verkwikken zult, zal u genoeg bezielen: o! hoe zal zij de hand zegenen, die haar iet van haaren zoon overreikt! met welke moederlijke traanen zal zij die bladen besproejen! aangenaame gedachte! spoedt dan, gedienstige winden! rolt, schuimende golven! brengt deeze bladen in de hand van die moeder; zegt aan mijnen lieven Karel, dat op het strand van Guiana de vriend van zijne jeugd voor hem leeft, en spreekt hem van zijnen Reinhart.

terug  begin  verder