terug  begin  verder
[p. 215]origineel

Tweede boek.

Guiana.

I.

Hoe misleidend is toch de verbeeldingskracht, door welke wij ons afweezende zaaken voorstellen! welk een begochelenden glans verspreidt zij op genoegens, die wij niet genieten! doch bij het genot verdwijnt dezelve, en wij gevoelen dikwijls onze hevigste begeerte, niet dan door ledigheid beantwoord: zoo ging het uwen vriend, lieve Karel! toen hij, het eenvormig scheepsleven moede, zoo hijgend zijne landing tegen zag, en, bij alle de ongenoegens, aan zijnen vreemdelingsstand verbonden, zig evenwel een heimelijk iet beloofde, dat zijnen staat verbeteren,

[p. 216]origineel

zijn hart bevredigen zou, en het toch niet vond.

 

't Is waar, de veranderingen welke de aangenaame vruchtbaare landtooneelen opleveren, is mij, na een zoo langduurend eenzelvig en woest zeegezicht, zeker niet onverschillig; zij streelen mijn oog, en verkwikken mijn hart; maar onder die verkwikking, gevoel ik eene ledigheid die mij doet kwijnen, en het is mij, of alles van rondomme mij toeroept: ‘'t Is uw vaderland niet, en uwen vriend vindt gij ook hier niet weder!’ had ik dit dan gedacht? neen Karel! dat juist niet; maar ik hoopte, onder zoo veele menschen die ik dacht te ontmoeten, 'er ligt één te vinden, wiens gevoel eenigzins op den toon van het mijne gestemd was, en simpatéthisch met mij werken zou; die op mijne verschijning zoo verheugd zou zijn, als ik op de ontmoeting van hem; maar niets van dat alles ontdekt zig: vruchtloos zocht ik, in de veertien dagen van mijn verblijf aan deeze kust, onder alle de bewooners, die ik ontmoette; ik vorschte met mijne oogen, ik hoorde met mijne ooren, of ik ook zulk een wezen vinden mogt, waaraan mijn hart zig hechten, en dat de eenzaamheid, welke mij altijd omgeeft, eenigzins verzachten konde; doch ik vond niemand, aan wien ik iets meer dan gemeene menschenliefde, en op zijn best koele achting geeven kan; niemand begeert ook meer van mij; vriend-

[p. 217]origineel

schap is hier, in dien nadruk altoos, welken wij aan dit woord geeven, geheel onbekend, en hulpvaardige gastvrijheid, is de hoogste graad van belangneeming voor elkander, tot welken men hier opklimt: de brandende luchtstreek schijnt hier de zachtere aandoeningen van het menschlijk hart te verzengen; terwijl zij wreedheid, heerschzucht, en andere hevigere driften, voedzel geeft; en dit treurige land, zal dan het bestendig verblijf van den, voor vriendschap gevormden Reinhart zijn, daar hij, van den tederen vriend zijner jongheid verwijderd, zijn treurig leven eenzaam afkwijnt? - dikwijls vraag ik dit mij zelven al zuchtende af, en mijn antwoord is niet dan een stomme traan.

 

Mijn Karel! moest ik u dan slechts eens als mijnen vriend bezitten, en den zachtsten troost van mijn hart, in alle mijne tegenspoeden daarin vinden, om eens te heviger uw gemis aan eenen vriendloozen oever te gevoelen? sombere gedachte! o getrouwe herïnnering! Blijf gij mij dan bij, en maal mij de lieve beelden van mijn verdweenen geluk nog dikwijls af; streel mij nog eens door het genoegen mijner jeugdige dagen, en laat mij, ten minsten nu en dan, een dropjen proeven van die zachtruischende beek, die mijn levenspad - welligt voor altijd - verlaaten heeft.

 

Nooit kan ik vergeeten, hoe gelukkig wij, als

[p. 218]origineel

knaapjens met den anderen waren; wij waren minder speelziek, meer leergierig, meer gehoorzaam aan onze opzichters, wanneer wij bij elkander waren: hoe openhartig deelden wij elkander de kleine lotgevallen van ons aanmerkelijk leven, onze schielijk gemaakte kinderlijke ontwerpen tot kinderlijk geluk, onze genootene, of toekomstige genoegens, onze te leur gestelde verwachtingen, of bedwelmde vooruitzichten, met een onbekommerd vertrouwen mede! hoe gretig luisterden wij na elkander! hoe warm deelden wij in elkanders gelukkig lot! en reeds in de eerste, onrijpe jaaren der losse kindsheid, vlochten wij een' band der vriendschap, die de blijdschap bleef onzer jongelingsjaaren, en die eens, zoo als ik toen hoopte, de sterkte onzer grijsheid worden zou - maar ach! waarom zeg ik: hoopte? is dan nu die hoop afgesneeden, om dat gij in Europa, en ik in Guiana woon? - zal dan mijn leven hier eindigen? wie zegt mij dit? is het niet even mogelijk, dat ik nog eens, als dezelfde Reinhart die u verliet, tot u weder keer? dat wij, door eene vriendschap, welke het lot eene zeldzaame rijpheid gaf, den last van elkanders ouderdom nog eens verligten? en zal dit al niet wezen, blijven wij dan ook niet, ver van den anderen gescheiden, dezelfde betrekking op elkander behouden? kan de verplaatzing van eenige honderden van mijlen, hierin verandering maaken? kan de verste afstand eenen band breeken,

[p. 219]origineel

dien de Natuur weefde, en dien onderlinge deugd, zoo wel als de tijd, eene zoo taaje sterkte gaf? kan de inademing van eene andere lucht, de snaaren onzer ziel minder melodiëusch doen klinken, of doen verstommen? neen, Karel! dit is onmogelijk! de zoo wijde afstand, kan niets anders, als den knoop onzer vriendschap, even als de van elkander vliegende vogeltjens den draad, op het fignetjen, waarmede gij uw laatsten brief verzegelde, naauwer toehaalen; hoe beviel mij de zinspreuk, die het omringt: En s'éloignant le noeud se ferme; ik gevoel dat zij waarheid is: hier niet minder, dan in 't vaderland, zullen wij elkanders vertrouwden zijn; ook hier zal ik u alle de gedachten, alle de gewaarwordingen van mijn hart, deszelfs lijden en vreugde zal ik u mededeelen; want ik weet, dat het uwe voor mij ontslooten is, en in mijn kleinste lotgeval meer dan broederlijk deelen zal; en ik, meer dan ooit heb ik thans een vertrouwden nodig, aangezien ik in veele gevaaren, geheel aan mij zelven overgelaaten, en jong ben: hier zie ik tog niemand, die wijsheid, deugd, en trouwhartigheid genoeg in zig verëenigt, om mijn leidsman te weezen; zelfs niemand die mij verstaat; eene geheel andere stemming van ziel maakt de meeste menschen hier voor mij, dat ik voor hun ben - onverschillig. O! Karel! hoe zoet zal mij elke onderhandeling, elk briefgesprek met u dan hier blijven! hoe van zelf, zal ik telkens

[p. 220]origineel

den koelen toon der bekendschap, met dien der warme, der openhartige vriendschap afwisselen; wanneer ik de verzamelde gewaarwordingen, die zig den geheelen dag, of week, in mij opkropten, zal kunnen lucht geeven, en aan u uitstorten! geen oogenblik, dat ik aan u geeven kan, zal verbeuzeld worden: moede van de bezigheid, waartoe mijn pligt mij hier roept, zal ik het nog niet zijn, voor dien van mijn hart; elke avondstond die mij toebehoort, zal ik aan vriendschap en kinderliefde wijden, en dat uur zal mij heilig zijn.

 

In die oogenblikken, zal ik mij nog dikwijls de zalige avonden van Kommerrust herinneren; wanneer wij van de verstroojingen des daags, dikwijls, na eene afwezigheid van bijna den geheelen dag, vriendschaplijk zamen vergaderden; als wij, gij somwijlen van uwe studie of jagtvermaaken, Charlotte van haare huislijke en moederlijke bezigheden, ik, van mijne verre, en peinzende wandelingen, vermoeid, met het boek dat mij in een eenzaamen hoek voor gezelschap gediend had nog in mijn zak, wederkeerden; dan was dikwijls een vrolijk priëel, een breede boom, of de open hemel, bij een mossige vijverbank, het schoon tooneel der openhartigste, der nuttigste, der edelste vriendschap; het genoegen dat elk in zijnen kring op den weggevloogen dag genoten, of de ontmoetingen die elk gehad had, leverden dikwijls de onderhoudende stof tot ons

[p. 221]origineel

gesprek op, en de blijde, de schoone, in stille landlijke genoegens omgevlogen dag, werd beslooten, met eenen hemelschen avond: o mijn vriend! de traanen van herinnering, van vruchtloos verlangen, vallen op dit blad, en wisschen mijne bevallige tekening bijna uit; echter maar op het papier, in mijn hart blijft zij onuitwischbaar; en dit hart gevoelt al zuchtend - dat alles voorbij is.

 

Doch zoo veel als ik kan, wil ik mijn gemis vergoeden; ik wil mijne eenzaamheid bezielen door uwe gedachtenis; ik wil meer; in mijne verbeelding zal ik u naast mij plaatzen, op de bank, onder den boom, daar ik de avondstilte zoeken zal, terwijl mijne gedachten, of mijne pen met u bezig zijn, zal ik waanen met u te spreeken; uw antwoord zal ik mij verbeelden te hooren, en ik zal niet meer zoo eenzaam zijn: papier en inkt zullen hier, zoo als op het schip, mijne beste schatten weezen; geen goud, geen kostbaar gesteente, kan hier tegen opweegen! hoe dof is al de glans, welke daar in flikkert, voor een hart, dat smacht naar vriendschap! maar het doodsche blad papier, kunnen wij bestroojen met levendige en vervrolijkende letters, die het bezielen, en deszelfs waarde onberekenbaar doen worden; uwe vriendschap is, buiten den Godsdienst, mijn eenige troost in het land mijner vreemdelingschap.

[p. 222]origineel

Vreemdelingschap, zeg ik - dit woord bevalt mij; het klinkt zoo verlaaten, zoo behoeftig! het onderstelt zoo veel gemis, en juist daarom koos mijn hart het: doch mijn verstand zegt: ‘Ook de stand van eenen vreemdeling, heeft zijne eigene genoegens,’ en dit is zeker zoo: hoe veele edele nieuwsgierigheid kan de reiziger voldoen? hoe veele begeerten kan hij vervullen, welke de geruste bewooner van zijn vaderland, die nooit de streek land verlaat, waar het toeval hem plaatste, altijd onderdrukken moet: en kan de opöffering van eenige vaderlandsche genoegens niet eenigzins beloond worden, door de genietingen die hij elders vindt? hij tog, die met een hart, voor de schoonheid van het geschapene vatbaar, andere landen bezoekt, kan overal, aan alle oorden der wereld, voedzel vinden voor zijn edel vermaak; waar hij ook zijne navorschende oogen sla; waar hij zijne onzekere voeten zette; waar hij zijne luisterende ooren wende, overal leest, overal hoort hij dien streelenden toon: ‘de Heere regeert! de wereld verheugt zig!’ - zijne denkbeelden van de onbegrensde Almagt, de diepe wijsheid, en eindelooze goedheid van den Schepper der aarde, die van pool tot pool, van den diepst verhoolen hoek, tot deszelfs uiterste grenzen, zoo helder, zoo schoon, zoo harmonisch werken, en door de geheele spraaklooze Natuur worden bezongen, worden meer uitgebreid en opgehelderd; zijn eerbied,

[p. 223]origineel

zijne liefde voor dat Wezen groeit, en met dezelve de rust en de vrede van zijn harte.

 

In dit opzicht wil ik het voordeel van mijnen stand opmerken, en tot mijn nut zoeken te gebruiken; zoo kan ik de geheele wereld, en ook de Kust van Guiana, als mijn vaderland beschouwen; want God, de Vader der Natuur, de verzorger zijner schepselen, regeert, zegent, verzadigt alles, ook dit land, door zijne goedheid; ook hier lees ik die vader-goedheid, op alles wat mij omringt; en ieder blaadjen dat door de brandende zon niet versmacht, en des morgens, door den nachtdaauw verkwikt, met nieuwe glanzen praalt, ritselt mij tegen: ‘Mijn Schepper zal voor u zorgen!’ onder zijne hoede ben ik hier zoo veilig als in uwe vriendschaplijke armen, of op mijnen vaderlijken grond; en wat zegt het dan weinig, of ik op het plekjen gronds, alwaar mijne ouders mij het leven gaven, of eenige duizenden van mijlen verder, die hoede ondervind? ik wil dan poogen om hier, vrolijk en welgemoed, het goede dat God's vader-hand mij toereikt te genieten; afhangelijk van zijne zorg te verkeeren; geene plannen van voorspoed vooraf te bepaalen, maar de spooren zijner vooruitwerkende voorzienigheid te volgen, en gelooven dat Hij mijn lot allernaauwkeurigst kent, en het zoo zal stuuren, dat ik eens zal kunnen zeggen: ‘Zijne trouw heeft mij geleid.’

[p. 224]origineel

Hoe veel verschilt de gesteldheid mijner ziele, in den aanvang, en in het slot van deezen brief! zoo veel invloeds heeft reeds de kracht der vriendschap op mijne verbeelding; ik heb nu, al spreekende met u, mijn hart verligt; en het is mij of gij mij goedkeuring had toegeknikt: o Karel! dat die verbeelding altijd zulk eene gelukkige uitwerking hebbe! hoe veel moedverdoovende onrust, die tog tot niets dienstig is, zal zij dan verdringen uit de ziel van uwen Reinhart.

terug  begin  verder