De zon gaat onder, en haare zinkende straalen beschijnen het blad, waarop ik aan u schrijf; welkom is mij het oogenblik dat aan onze vriendschap geheiligd is; ik verlang om mijn hart aan u uittestorten; het is gedrukt door een medelijdend gevoel van de wreedheid en het onrecht, dat ik rondom mij zie heerschen; en het schreit tot God over de ellenden van mijne medemenschen.
Van het oogenblik af, dat ik mijne eerste voetstappen hier op deezen grond drukte, maakte de moedelooze houding, de zwoegende arbeid van deeze onrechtvaardig verdrukte menschen, een zeer somberen indruk op mij; en zoo dikwijls ik de harde trotschheid, met welke wreede meesters, of ongevoelige opzichters, deeze ongelukkige, vernederde, mishandelde menschen bejegenen, en hunne gedwongene gehoor-

en ik was stil te vreden; doch in de verte hoorde ik de zweep van den bomba, I.D. Bladz. 239.
zaamheid aanzie, word ik vervuld met verontwaardiging, en medelijden; ik geloof zeker dat deeze gewaarwordingen zig in mijne geheele houding en gelaat uitdrukken; ten minsten zeer dikwijls wierpen deezen of geenen deezer mishandelden een klaagenden, een droevigen blik op mij, even of zij merkten dat mijn hart voor hun belang pleitte; zulk een blik, Karel! moet een ijzer hart verbreeken, en maakt het mijne nog weeker; die doet het dikwijls, in stilte, een' traan van waar, van innig, maar van magtloos mededoogen, over het rampzalig lot van mijne ongelukkige broeders, voor den God die een wreeker is der verdrukten, schreiën; en bij elke nieuwe gelegenheid word mijn treurig gevoel verlevendigd.
Ik zit hier thans vrolijk geplaatst, en heb het uitzicht over een geheele rei van Coffijakkers, op wier sierlijk bloejende boomen de dalende zon een zeer schoonen glans verspreidt; ik zettede mij om aan u, mijnen besten vriend, te schrijven, en dit aangenaam denkbeeld vloeide als een balsem des levens in mijne eenzaame ziel; en bij al mijn gemis, gevoelde ik een schaduw van menschen-geluk rondom mij zweeven, en ik was stil te vreden; doch in de verte hoor ik de zweep van den bomba, of oppersten der negers, klappen; ik zie hem een geheele troep zwarten van beide sexen in de matte, moedelooze
houding van afgewerkte slaaven, met houweelen, spaden, en hunne verdere werktuigen beladen, voor zig heenen drijven, naar hunne hutten, waar zij hun avondmaal nog zelven moeten toerichten, en den nakenden nacht op een hard leger van planken doorbrengen; dit gezicht, schoon niet nieuw, echter altijd treffend voor mij, en in de tegenwoordige stemming mijner ziele meer treffend dan immer, dooft het kleine vonkjen van rustige vergenoegdheid, dat in mij begon opteleeven, geheel uit; en hoe verëeld, hoe boos of hoe gedachteloos moet het hart van zulk een vrije zijn, welke met deeze arme slaaven niets lijdt! de gewoonte ontneemt zeker het treffende aan de allerakeligste verschijningen; ik hoop ook hartlijk, dat zij mij een weinigjen meer onindrukbaar zal maaken voor deeze beklemmende tooneelen; anders zal het leven mij hier waarlijk bang vallen; maar eene koele onverschilligheid bij dezelve, die mij zou doen vergeeten het ongeluk, en het belang deezer armen aan de ontferming van een vergeldend Richter aantebeveelen, die begeer ik nooit.
Alle die schoone velden, die ik hier en ginds wijd en zijd liggen zie, zijn dan allen door het gedwongen zweet van beroofde, mishandelde menschen bebouwd, en liggen in eenen treurigen nevel van onrechtvaardigheid ingehuld, die mij akelig maakt, en doet zuchten.
Die onverwinnelijke trek tot vrijheid, die het kruipend insect, die veel meer den edelen mensch, het afdrukzel van het beeld zijns maakers, is ingeschapen; die met het zuigend kind wordt geboren, met den moedigen jongeling opwast, en met den grijsaart in het graf zinkt; zonder wiens voldoening het leven geen zoet heeft, en de dood eene weldaad is; deeze wordt zoo wreedaartig als onmenschlijk, uit het hart van zoo veele milioenen uitgescheurd, of liever, deeze woedt in de ziel, en verdubbelt het ongeluk van alle die menigte rampzaligen, welke door onrechtvaardig geweld van het recht der menschheid beroofd werden: wie zal het getal van alle die slachtoffers van laage driften, en vuig belang, die geduurende verscheidene eeuwen de gronden van dit gewest bebouwden, tellen? hoe veelen bliezen hier hun rampzalig leven, moêgesloofd, in treurigheid, en bittere wanhoop, uit; terwijl hun geest voor den Richter der gantsche aarde om wraak roept, over de wreedheid, die men hen onschuldig deed lijden!
Alle die menschen, of ten minsten hunne voorouders waren eens vrij, en genoten alle de voorrechten der vrijheid, vrede, rust, en overvloed, in hun gezegend vaderland; hunne eenvoudige vreedzaame hutten stonden in een gelukkigen oord, daar de dankbaare grond, hunnen geringen arbeid met overvloedige oogsten beloonde; zij
genoten, op hunne wijze, de stille genoegens der maatschappij, en der vriendschap, omringd van hunne bloedverwanten; en de stem der Natuur sprak in hun hart: in 't midden van dit gerust leven, genoten zij, met een kommerloos vergenoegen, den zegen van hunnen stand, toen hun lot op ééns veranderde, en diep rampzalig werd; door verraderlijk geweld, door listig bedrog, en roofzucht, door de wreede gierigheid van hunne omgekochte Vorsten, met woeste overmagt aangevallen, werden deeze onnozele schepsels de schuldlooze offers van de laagste aller menschlijke driften; men scheurde hen uit de armen hunner vrienden; men scheidde gelukkige echtgenooten, lievende bloedvrienden, van elkander; ontrukte de kermende moeders aan hulplooze kinderen, en voerde hen, arm en berooid, met een verscheurd hart uit hun gelukkig vaderland, uit hunne vreedzaame hutten weg, om in eenen anderen oord der wereld, in eene eeuwige slavernij, welke op hun, en hun rampzalig nageslacht rusten zal, hun afgemarteld leven te verkwijnen: overgegeeven aan het baatzuchtig opzicht van tyrannige menschen die hen plaagden, dreigden, mishandelden, en hun die barmhartigheid weigerden, welke redenlooze dieren verdienen, werden zij tot een gretige prooi hunner helsche winzicht, in akelige benaauwde kerkers, in verblijven, voor de schuldigste misdadigers veel te slecht, over verre zeeën naar een ander werelddeel heenge-
sleept, waar zij nooit weder van de hunnen hooren, en waar ook hun lot altijd, voor hunne achtergeblevene, of elders heen gevoerde vrienden, verborgen blijft; hier worden zij het eigendom van den meestbiedenden kooper, en vallen welligt eenen meester in handen, dien zij, behalven het lot dat hen zoo verbazend onderscheidt, in waare grootheid verre overtreffen - want menschen, welke in eerlijke trouw, in edelmoedige braafheid, in lijdend geduld uitmunten, zijn, onder deeze verachte negers, geene zeldzaame verschijnselen; evenwel, zij zijn slaaven, en ook den onëdelmoedigsten meester moeten zij dienen, of zijne wreede straf dulden: met bloedig zweet der vermoeidheid, en heete traanen des lijdens, moeten zij den akker van een meestal ondankbaaren eigenaar bewerken; terwijl zijn karige hand hen mogelijk slechts met halve verzading, of met slecht voedzel, voor allen hunnen zwoegenden arbeid beloont, en elk gering vergrijp met wreede straffe vergeldt; welk een lot voor menschen, in wier hart Natuur ook spreekt, al is hun gevoel niet zoo fijn, dat zij al het gewigt van hun ongeluk, door duidelijke voorstellingen, door peinzende nagedachten, en ontwikkelde redeneeringen zoo levendig kunnen gewaar worden, als een gevoelig mensch bij beschaafder volken! konden zij dit, dan was hun lot duldeloos; en moet het zulks evenwel bij het grofste gevoel niet zijn! bij de herin-
nering van alles wat zij verlooren, bij het aandenken aan hunne vrienden! of zou de van zijne, misschien hartlijk geliefde wederhelft, afgescheurde echtgenoot, op de vreemde kust, waar hij, of zij, haar leven in slavernij verzucht, niet meer aan de genoegelijke dagen van hun geluk denken, en geen smert gevoelen, dat zij voor altijd rampzalig, verstoord zijn?
En wie weet, hoe veele deezer verachte Negers voorheen onder de hunnen een aanzienlijken stand hadden? misschien maakte de veehoederij, of landbouw, sommigen derzelven rijk; en nu is een half kleed, dat hunne matgesloofde leden dekt, al hun schat! misschien werden zij om hunnen rang geëerd, en konden gebieden door een' wenk, en nu moeten zij zidderen op het bevel van eenen onrechtvaardigen meester, en voor hem de laagste, de moejelijkste diensten verrichten, zonder eenigen dank! - onzalig noodlot! o! vruchtbaar land! gezegend Africa! hoe moeten uwe verbrande steden, geplunderde dorpen, en ledige, van hunne vreedzaame bewooners verlaatene hutten, niet luide klaagen over de gierigheid van hunne Vorsten, over de wreedheid van hunne verleiders, die het geluk van zoo veele duizende menschen voor spel achten, en hun laag belang op hunne rampzaligheid vestigden! hoe veele traanen van wanhoopig lijden moeten dien grond doorweeken! hoe veele
akelige noodkreeten en afscheidsgillen, klonken wel over deeze verlaatene velden, en riepen wraak tot den God van 't Heelal! - gij, gevoelig mensch! die daar ooit uwe voetstappen zetten zult, ween over het lot van uwe broederen, of liever, denk op middelen tot hunne verlossing!
O! mogten alle onrechtvaardige eigenaars van deeze gekochte menschen zig ten minsten, terwijl zij hunnen dienst genieten, herïnneren dat zij vrij geboren zijn, en gevoelen, dat al hun geld, dat hunne geheele bezitting, in de schaal der rechtvaardigheid, niet kan opweegen tegen de waarde der vrijheid, dat goed, waarop de arme Neger zoo veel rechts heeft, als de rijkste Europeër, en dat hem wreedaartig ontstolen is: o! denk! denk slaavenrijke Planter, dat het ongeluk alleen deeze menschen in uwe handen leverde; behandel hen zacht als uwe broeders; verligt hun knellend juk, en geef hun zoo veel vreugds weder als in uwe magt is; op dat geen knaagend verwijt, in oogenblikken van nadenken bij uw graf, uwe rust verstoore!
De treurigheid van mijn onderwerp vervoert mij, Karel! ik vergat dat ik een' brief aan u schreef: maar hoe is het tog mogelijk, dat zulke eene barbaarsche handelwijs met menschen, bij volken is ingevoerd, die bestraald werden
door het licht van 't Euangelium des vredes? en hoe is het mogelijk, dat dit haatelijk gebruik zoo onveranderd blijft, in deeze laate, verlichte, verdraagzaame eeuwen, die het menschenverstand van zoo veele bedwelmende vooroordeelen ontheven, en, door beschaafder zeden, de harten verzacht, en de ruwheid der voorige tijden verminderd hebben? zeker, men zou zulke bedrijven meer plaatsen in de voorige nachtlijke eeuwen, toen onkunde en bijgeloof de wereld overschaduwden! en toen misschien handelde men minder wreed, dan na dat de weelde telkens de hebzucht, en met deeze duizenden schadelijke driften, die het menschen-geluk verwoesten, deed aangroejen.
Hoe zeer mijn hart nu reeds met deeze lijdenden die mij omringen, mede lijdt, Karel! het wordt nog wreeder gepijnigd door die gedachte, dat, wil ik aan het oogmerk van mijne reize beantwoorden, ik dan zal moeten deelen in het onrecht het welk ik nu veroordeel; en hadde ik dit vooraf in mijn vaderland overwogen, dan welligt had ik hier mijne voeten nooit gezet: evenwel, het stuk aan den anderen kant beschouwd, dit is ook zeker, die slaaven, welke het lot, heeft het mij anders eenigen voorspoed toegedacht, in mijne handen leveren zal, zullen zig het juk hunner slaavernije, dat hun tog niet om mijnen wille werd opgelegd, minder beklagen, dan on-
er een ander opzicht; want gij weet, Karel! wreedheid is een trek, welke de goede Natuur aan mijn karakter onthield; en dit zweer ik hun, bij de gevoelens der menschheid en van den godsdienst, die in mijn hart heerschen - ik zal de drukkende ellenden van die medemenschen, wier lot in mijne hand is, edelmoedig verminderen, en hun dezelve bijna niet doen gevoelen.
Maar ook dan nog, al konde ik deeze ongelukkigen als mijne medebroederen behandelen, al gevoelden zij hunne slaavernij geheel niet - ook dan nog zijn deeze menschen voorwerpen van mededogen voor elk nadenkend mensch: zie ik dit stomp, en voor de fijnste vreugde des levens min gevoelig gelaat, dit somtijds weinig betekenend oog, dat zoo zelden straalen van schranderheid uitschiet, waarin op zijn best onnozele goedhartigheid, of laage en dierlijke driften spreeken, en ik denk dan, dat wij allen het nageslacht van denzelfden eerstvader zijn, en dat alleen toevallige omstandigheden, luchtstreek, levenswijze, opvoeding, deeze volken zoo ver van hunne oorspronglijke grootheid ontaarten deed; dat zij allengs tot deeze aan dieren-domheid grenzende laagte nederzonken; denk ik daarbij, dat mogelijk het wreede, het kracht- en lust-verdoovende lot, dat hen trof; dat de onderdrukking, in welke beschaafde Natiën haar hielden, medewerkte, om de spruitjens van
menschlijken adel, welke nog in hunne ziel waren, te verstikken, en het onkruid der laagste driften, door hunne mishandeling, daarin optekweeken, terwijl daartegen het gelukkig werelddeel, waarin ik geboren werd, waarin de slaavernij geene kluisters voor den geest der menschen smeedt, in wijsheid, beschaafdheid en smaak, eeuw op eeuw toenam, en den afstand tusschen den zwarten Africaan, en den blanken Europeër nog merkelijk vergrootte; o! dan gevoel ik zoo geheel het onverdienstelijke, van mijne beterheid en uitmuntendheid boven deeze arme Negers; en, dankbaar over het, voor mij zoo gunstig bestuur eener alregeerende Voorzienigheid, vraag ik dan: waarom was het verlicht Europa, en niet het woest Africa mijn Vaderland? waarom had ik een' levenskring en eene opvoeding, welke de krachten, die in mijne ziel sluimerden, opwekten, in werking bragten, niet uitdoofden zoo als in deeze ongelukkige Negers? en zou ik, met zulke gedachten, ooit met laage trotschheid op den armen slaaf kunnen nederzien? God bewaare mij bij die gevoelens, dan zal het mijne slaaven nooit kwalijk gaan.
Ik denk hier dikwijls aan de schoone regels van onzen dichter voet, daar hij de weldaadigheid der Godheid op eenen vrolijken morgen bezingt:
Beschouw ik hunnen zedelijken toestand..... Maar hier over op een anderen keer; de avond is gevallen: door mijn onderwerp vervoerd, werd ik de toeneemende schemering naauwlijks gewaar, tot dat ik nu bemerk dat ik meer op het gevoel, dan met mijne oogen schrijf.