terug  begin  verder

VII.

Gij merkt wel uit alles wat ik u tot nog toe meldde, dat het climaat en het land mij redelijk goed bevalt, en dat ook hier, als elders, Natuur de lieve vriendin van mijn hart is: denk evenwel niet, dat zij mij al te sterk zal binden, en mijn vaderland doen vergeeten; dit heeft geen nood, Karel! al ware hier alles schooner dan daar, het blijft hier een land van vreemdelingschap voor mij; en mijn hart blijft hier behoeften gevoelen, welke geen schoone Natuur vervullen kan; ja ik bemerk zelfs dat zij mij geheel smaakloos worden kan, naar maate ik die behoeften sterker gevoel: het is mij zoet, het verligt mij, wanneer ik hier mijne gedachten met mijne moeder, met u bezig houde: maar het antwoord wacht ik vruchtloos; ik zie dag aan dag daar naar uit, doch het verschijnt niet.

 

Intusschen is mijn dierbaare Gellert mijn vriend en raadsman: aan zijn vertoog over het vertrouwen op God, heb ik veele gelukkige, hoopvolle oogenblikken te danken; 'er verliepen

[p. 271]origineel

eenige dagen dat ik niets aan u schreef, om dat ik u niets te zeggen had dat nieuw voor u was, en niets anders dan dat ik u reeds zoo dikwijls zeide: mijn levenswijs is hier vrij eenvormig, en mijne bezigheden veele; doch juist niet overeenkomstig mijn genie; den geheelen dag met de pen in de hand, beweegenloos te arbeiden aan dingen, waarvan het hart zoo geheel ledig blijft, dit heeft verademing noodig, en die zoek ik, als ik u niets te zeggen heb, in een wandeling of een boek.

 

Vóór den dageraad sta ik altijd op; terwijl de stilte nog in de akkers heerscht, en de negers hunne hutten nog niet verlaaten hebben, ga ik doorgaans de plantage met een boek in mijn' zak rondwandelen: dan is de lucht koel; en de nachtdaauw, welke hier, het geheele jaar door, nacht op nacht, het verflenste groen verkwikt, en weder in staat stelt om de brandende zonnestraalen te kunnen verduuren, ligt dan zoo mild op alles te glanzen; die groote bladeren, waarop duizende droppelen glinsteren, schijnen een veld met paarlen; en elk dropjen wacht op de rijzende zon, om door haare straalen een oogenblik met diamanten glans te flonkeren, en dan te verdwijnen door haaren gloed; de verkwikte planten en boomen ademen dan een versterkende geur uit, alles wekt mij dan op om den dag zoo vrolijk te beginnen als de Natuur zig

[p. 272]origineel

vertoont, en om den goeden milden Schepper zoo te danken als het rijk der planten Hem, al geurende, doet.

 

Altijd beminde ik den morgenstond, de vérziende heuvel van Kommerrust zag mij dikwijls, nog pas half uitgeslapen, met loome treeden zijn schoonen top opstijgen, terwijl gij nog aan de zijde van uwe Charlotte sluimerdet: eenzaam, maar zalig stond ik dan daar; zag, onder in het dal, de koejen graazen, het koren door 't zachte morgenwindjen trillen; de geslootene schaapskoojen, op 't hangen van eenen nabuurigen heuvel, in een kalme rust liggen; terwijl het geklink van de bellen der hamels, binnen derzelver luchtige wanden, hun verlangen naar den herder, die hun ontsluiten zou, te kennen gaf; zag hoe de hutten der landlieden, de een na de andere geöpend werden, en den vakerigen knecht zijne oogen wreef; of de knappe melkmeid pas half gekleed, uit de kleine deur te voorschijn trad; terwijl de vrede en de vrolijkheid allengs door het geheele dal herleefde; ik hoorde de melodij der vogelen, die, uit duizend keelen, den groejenden dageraad tegenzongen, en mijn ziel stemde met hun in; o! hoe onvermoeid staarde ik dan op den oostelijken hemel, en zag de glorie van den komenden dageraad; zag de verandering van elk wolkjen, dat door de, nog verborgene, zonnestraalen beschilderd, telkens eenen nieuwen wisse-

[p. 273]origineel

lenden gloed vertoonde; zag die mengeling van goud, zee-groen, en purper, en die schoone kleuren in alle de nuances zoo toverachtig wegsmelten, tot dat de majestueuze zon, bij haaren gloed, alle schoon zinken deed: die heuvel, met veele andere genoegens, is hier voor mij verdweenen; ik zie hier geen groejenden dageraad; de luisterrijke opgang der zon is achter digte bosschen voor mij verborgen; evenwel juich ik haare eerste belemmerende straalen gevoelig tegen, en zie haar wel rasch, in de volle glorie der verrijzinge, boven de toppen der boomen klimmen, en het verkoelde plantenrijk bestraalen.

 

Hier, nog meer dan in mijn vaderland, is mij de morgen dierbaar; de gloejende hitte ontzegt ons, den geheelen dag, die kalme rust, die de morgen aanbiedt, en al den waassem der geurige planten drinkt zij ongemerkt op; ik zoek mij een aangenaam plekjen, dat door zijne vrolijkheid of eenzaamheid mij aantrekt, en zit daar te leezen, tot de tijd mij naar die bezigheid roept, die voor als nog mijne bestemming hier uitmaakt.

terug  begin  verder