Ik ben overstelpt van vreugde: uw brief, Karel! de brief van mijne dierbaare moeder is in mijne handen! o! welk een dag is mij deeze! welk een zoet genot, na eene uitgestelde hoop! met hoe veele traanen heb ik die dierbaare bladen besproeid! waarlijk het is de droefheid niet alleen, die troost in traanen vindt; ook de blijdschap gevoelt die noodig, zal het volstroomde hart, niet in zijn eigen levendig gevoel verstikken; bedwelmd van vreugde, kreeg ik het paquet in mijne handen - zag uw schrift, uw zegel, rukte het los - en las - mijn ziel was daar, waar gij haar boeidet; niet meer aan deeze kust - maar in mijn vaderland, in den kring van mijne vrienden - ik zag, ik hoorde na, en deelde in alles, wat daar voorviel; ik las die woorden vol tederheid, vol kracht, vol godsvrucht, van mijne bedaarde, gelaatene, in haar, en mijn lot berustende, ja, hoopende moeder: ik viel op mijne knieën neder, om den God te danken, die haar zoo ondersteunde: ik verbeeldde mij het minzaam gelaat, waarmede die edele vrouw dit alles schreef - ik kende het uit de trekken van haare pen, en drukte, in de vervoe-
ring mijner denkbeelden, een dankbaaren en tederen kusch op haare betraande wangen.
Ik las verder uwen brief, en vond den edelen, grootmoedigen, zig zelven altijd gelijken vriend in elke regel die gij schreeft; ik zonk weg in de zoete gewaarwording, dat 'er nog zoo veel reine, ongemengde, zielvolle vreugde in dit gewest voor mij bloeide; ik zag, of hoorde niets rondom mij dan die dierbaaren; mijne moeder, gij zelf, en uwe engelachtige Charlotte, waren alleen voor mij aanwezig; de aandoenlijke trekken, met welken gij mij den invloed van mijne afwezendheid op uw geluk afmaalt, roerden mij; lees ik daar uit uwe pen: ‘Ik wist niet dat gij mij zoo dierbaar waart! met u, mijn Reinhart! heeft mijn ziel alle haare voldaanheid verlooren; overal waar ik mijne voeten zet vind ik ledigheid; mijn zalig Kommerrust is mij een droevige oord; elk plekjen spreekt 'er van u; alles zegt mij: ‘‘uw vriend heeft u verlaaten!’’ een akelig, een diep doordringend gevoel van de vergankelijkheid van het edelst geluk verzelt mij overal; ik vind nergens een nieuw voorwerp dat waardig schijnt dat ik mij daar aan hechte; alles sloot mij van zig af, en mijn hart wil zig niet meer ontsluiten voor eene vreugde die zoo kort afwisselend is.’ O! Karel! welke woorden voor mijn hart! zij maaken mij
droevig en blijde - uw ongeluk is het mijne, en, met een vol, welmeenend hart, wensch ik u al die voldaanheid toe, waarvoor uwe kalme ziel vatbaar is: en echter, kondet gij mij zonder eenige smart missen, dit zou mij bedroeven: evenwel ik wensch hartlijk dat de tijd, welke, zedert u deeze woorden uit uw hart vloeiden, verloopen is, uwe onaangenaame gewaarwordingen iets zal verzacht hebben; en u eenen anderen vriend - niet zulk eenen, die u uwen Reinhart doet vergeeten - maar die uwe mismoedige luimen verdrijft, zal weêrgegeeven hebben: doch wat wensch ik! gij schrijft: ‘Uw verlies is mij onherstelbaar - welke edele menschen mij mogen omringen, mijnen Reinhart, die een ziel bezat, welke zoo op mijn ziel werkte, dien vind ik nergens weêr: en ware hij 'er ook al, wat zegt dit dan nog bij onze vriendschap, die, door eene veeljaarige ervaring, door de ligtzinnigste tijdperken des levens heen, beproefd, en tot die edele vastheid, die onbreekbaare sterkte gekomen is, dat zij den dood en de eeuwigheid verduuren zal.’ - Hoe vleiend voor mijn hart, dat mijn Karel zoo omtrent mij gevoelt! elk blad dat u schreef, zal voor u eenstemmige gevoelens ademen: o! mijn Karel! ik gevoel, terwijl 'er iets sombers door mijne ziel zweeft, dat ik veel reden heb, om den Hemel te dan-
ken, daarvoor dat hij ons op den weg onzes levens elkander deed ontmoeten; een geruim eindweegs wandelden wij zamen tog; wij leerden en raadden elkander; wij traden zamen door ruwe en effene wegen; plukten de roozen, die langs ons pad bloeiden; en kwetste een onzer zig aan distels, dan gevoelden wij beiden smarte, en zochten de wonden te verzachten: dezelfde boom verkwikte ons dikwijls met zijne schaduw, en het eigen beekjen laafde onzen dorst; dezelfde storm donderde rondom ons, en het eigen hutjen was onze schuilplaats: o! dit waren lieve dagen! hoe kort viel ons de langste weg! en het moejelijkste pad werd vrolijk! doch ons lot veranderde - Hij, die het pad van elken sterveling aftekent, deedt u voordgaan, en wees mij eenen anderen weg, waar ik niets van u hoor, niets van u zie, maar daar ik mij al het nut, al de vreugde, die uwe tegenwoordigheid mij eenmaal gaf, met stille weemoedigheid herinner - zal ik dit nu hardheid van mijn lot noemen? - was het geen goedheid dat ik u vond, en zoo lang genoot? - en is het niet mogelijk even groote goedheid, dat ik u nu mis, al zie ik dit niet, al kan ik dit niet gelooven? God, die ons pad aftekende, dacht dit beter om onze rijpheid voor den hemel te bevorderen: ons blijft des niet over, dan te berusten in die schikking, en alle onze krachten aanteleggen
om het meeste nut uit dezelve te trekken, op dat wij elkander eens waardiger weder ontmoeten! welligt vereenigt zig ons wandelpad nog ééns, eer wij in het land der ruste aankomen; en anders zeker als wij daar gekomen zullen zijn - en dan, voor eeuwig; vrolijke gedachte! hoe vér gescheiden, leven wij dus nog voor elkander! wij blijven elkaêr tot troost en raad; wij deelen in elkaêrs belangen, en bevorderen die broederlijk; all' wat gij mij van uw huwelijksgeluk, van uwe lieve kinderen, van all' wat u betreft, vermeldt, is mij gewigtig; geen letter uit uwen brief wilde ik missen; en all' wat gij mij als een edel, een voorzichtig, en een in het menschlijk hart ervaaren vriend, zegt, heeft eene onberekenbaare waarde voor mij: ga voord, mijn beste! mij zoo te behandelen! gij kent mijn karakter, mijne gebreken, en het kwaad waartoe mijn hart het meeste helt; waarschuw mij altijd daartegen! eene vriendschap, die deeze trouw niet dulden kan, is zeker de waare niet; is zeker die vriendschap niet, waarvoor wij in de andere wereld, als voor de grootste weldaad van ons leven, God zullen danken: ach! Karel! blijf mij zulk een vriend! ik bezweer u bij het rein geluk, bij de standvastigheid onzer vriendschap, blijf mij zulk een trouwe, edele en warme vriend! o! ware het mogelijk, dat de tijd u minder belang in mij stellen deed,
dat gij koeler omtrent mij worden kondet, o! dan zou ik in eene angstig grievende smart mijn eenzaam leven afkwijnen; alle gevoel van geluk zou voor mij dood zijn.... maar welke eene ontijdige gedachte! een treurig spel van mijne vermoeide verbeelding, of de vervoering eener genietende ziel! mijn hart heeft geen deel in die vreeze; wat bij anderen mogelijk is, is bij Karel onmogelijk: ik zal gerust op uwe vriendschap leeven; en, zoo ik hier sterven moet, zal mijne ziel, onbekommerd over haare afgelegde hut, naar u toesnellen, en, zoo afgescheiden, onder de menschen verschijnen; dan zal mijn geest om u zweeven, u troosten, u moed instorten.... doch, waar dwaal ik heen? nog ben ik met u op dezelfde wereld, waar gij, waar ook uwe lieve Charlotte mij bemint; ook die edele vrouw heeft om mijn afzijn geweend, en vondt eenige verdiensten in uwen vriend? bij die woorden gevoel ik mijne kleinheid, Karel! en wensch te worden, dat uwe belangenlooze vriendschap mij reeds maakt; omhels haar voor die woorden, voor die traanen, en zeg haar, dat, zoo lang dit hart vrouwlijke deugd, en zachte bevalligheid zal hoogschatten, zoo lang ook haar beeld in hetzelve zal bewaard blijven: o! nooit zal eene wederhelft mij kunnen gelukkig maaken, die haar niet, ten minsten in eenige trekken, gelijkt! maar welk eene ontijdige gedachte weder voor mij? dit is een
geluk dat zoo dagelijks niet geschonken wordt, en daar een arm, uit zijn vaderland verdreven jongeling, wel nooit op hoopen mag; hier ten minsten, zal ik dit niet ligt vinden; ik mis in de vrouwen van dit Land, die ik tot nog toe zag, dat aantrekkelijke, dat mij doet wenschen om eene lotgenoote in dezelven te vinden: maar zeker, grooter heil, dunkt mij, dan zulke eene echtvriendin als gij bezit, heeft de aarde wel niet; en gij verdiendet die: ach! goede Hemel! stort al den zegen, dien gij op menschen-hoofden uitgiet, op dit begunstigd paar neder, en laat de vruchten hunner liefde hun beeld vertoonen! - Nu ga ik mijne moeder schrijven: ach! Karel! hoe veele traanen zullen dit blad weder bevochtigen! en nogthans was laffe weekhartigheid in den man, in den jongeling, mij altijd iets afzichtelijks, en strijdig met mijn gevoel; maar natuur, kinderlijke natuur, die ook in den moedigen boezem des jongelings woont; die in zijn sterk geaderd hart klopt, die in zijn vuurig oog zoo teder spreekt, was mij altijd heilig; en ik schroomde nimmer kinderlijke traanen aan een moederlijk hart te laaten vloejen: zij zijn de adem van het waar gevoel, en gelukkig hij, die ze, zonder pijnlijke smart, weenen kan!