terug  begin  verder

XIII.

Hoe magtig verschillend is het gevoel, door 't welk uwe en mijne zenuwen waarschijnelijk thans zijn aangedaan! hier is de hitte bijna ondraagelijk, en bij u is het winter; mogelijk zit gij thans bij uwe bijna roodgegloeide kachel, wier bedwelmende koolendamp de lucht die u omgeeft verpest; die u, met elken zwoegenden adem, vergif voor uwe gezondheid doet inhaalen; en misschien door den tijd uwe ongelukkige long, door zijn fijn stof, zoo zwart bekleedt, als de muuren van uwe kamer; elk die bij u inkomt, wrijft mogelijk thans zijne handen, en zegt: ‘Wat is het koud!’ hij legt zijn bontig overkleed neder, snelt na de onzuivere bron van uwe warmte, en zijne geheele houding zegt met hem: ‘Het is koud!’ welligt vertoont zig

[p. 302]origineel

thans de winter in eene van zijne grimmigste gedaanten; graauwe, dikke wolken, door welke mogelijk in langen tijd geen zonnestraal booren kon, die telkens aangroeiden en dreigender werden, ontlasten zig nu in ruischende hagelsteenen, of vochtige sneeuw, die in wild door elkander dwarlende vlokken nedervalt, en alles met een woest, rasch verdwijnend wit bekleedt, en, daar zij wegsmelt, al straalende van de daken afvloeit, terwijl de grillige vorst op ééns verrijst, die straalen verstijft, en in ruwe ijskegels herschept, die door hunne woeste vertooning elk doen huiveren, en verkleumen; of mogelijk vormt een strenge koude de sneeuw tot kleine vlokken, die als zoo veele gescherpte pijltjens al ritzelend nedervallen, en het verkleumde aangezicht zweepen, terwijl zij op den grond, gelijk een effen dons, nederdaalen, en door hun zuiver, onnabeeldelijk zuiver en verblindend wit, eene luistervolle schoonheid op de aarde verspreiden, die behaagt en treft: maar, hoe jammer! dat dit glanzend siertapijt op uwe woelige straaten zoo rasch bezoedeld wordt, en eene walgelijke woeste vertooning oplevert!

 

Hoe snel rennen nu misschien de ligte sleeden met snuivende paarden, al rinkelend, langs uwe woningen, terwijl de, in pels of dikke pij gekleede, voetganger, door zijn verbaasten tred en door zijn rood aangezicht, de allesdoordrin-

[p. 303]origineel

ende koude, levendig uitdrukt, en, zoo 't schijnt, door de snelheid zijner beweegingen het uurwerk des levens, dat anders welligt zou stilstaan, aan den gang houden moet; terwijl dit bij u voorvalt, zit ik hier te smagten naar elken koelenden wind, dien ik door alle de openingen der kamer tot mij lok, en mijne geheele kleeding is niets dan een hemd.

 

Welk een verbazend onderscheid van tooneelen levert het noordelijk Europa, en het zuidelijk America ten zelfden tijde niet op! en wat dunkt u van mijne aftekening? heb ik dit tafreel nog niet vrij levendig, in eene luchtstreek, waar alles met hetzelve contrasteert, bewaard? doch een vaderlandsch tooneel! zou ik dat vergeeten? een tooneel, waarin zoo veele kleine, voor mij belangrijke, omstandigheden zijn ingeweeven! hoe dikwijls was het mij aan uwen haart, bij die nu zoo verachte kachel, op den nog kouder avond van zulk eenen kouden dag, onuitspreekelijk zoet, als gij daar zat, met Charlotte aan uwe zijde, en uwe lieve kleinen, die, met de onschuld van engeltjens, zamen speelden, rondom u! hoe dikwijls moest ik mede in hun spel, in hunne vreugde deelen, gebrokene speeltuigen herstellen, of nieuwe verzinnen, luisteren naar hun lief gesnap, en hen voordhelpen; terwijl hunne lieve moeder met een vriendschapvollen blik, haare goedkeuring over mijne

[p. 304]origineel

hulpvaardigheid gaf, en mij eenmaal vader van zulke kindertjens wenschte!

 

Hoe dikwijls deelden wij op eenen anderen avond, met het volste vertrouwen der vriendschap, elkaêr de geheimste gedachten, zwaarigheden, gissingen, overleggingen van ons hart mede! hoe veele belangrijke onderwerpen behandelden wij dikwijls, terwijl het maatig gebruik van een glas pons onze geesten deed opleeven! en maar zeer zelden was ons gesprek zielloos; maar zelden gingen wij onvoldaan van elkander; dikwijls zou ik den tijd, en mijne wachtende moeder vergeeten, en de middernacht mij nog bij u gevonden hebben, hadde de orde-lievende Charlotte het niet verhinderd: och! Karel! dat waren tog hemelsche avonden! hier zijn zij mogelijk voor altijd verlooren; maar daar boven zullen zij zig oneindig zaliger vernieuwen; en daarop wil ik zien, om nu niet te treuren.

terug  begin  verder