terug  begin  verder

XV.

Een ledig uurtjen doet mij de pen voor mijnen Karel in de hand neemen; doch de lust, de moed ontbreekt mij om ze te gebruiken; ik ben niet koel, niet onverschillig voor u, beste vriend! eer ben ik, buiten u, buiten mijne moeder, voor alles onverschillig; een naare nevel

[p. 308]origineel

bedwelmt mijne ziel; ik zie niets dan een zwart verschiet voor mij liggen; eene sombere neêrslagtigheid drukt mij neder; met moeite zet ik mijne treden voord; daar ik een rustplaats vind, val ik neder, en mijn boek ligt ongeöpend naast mij; de geheele Natuur, ja het leven zelfs grimt mij aan; o! hoe gaarne zou ik in gerusten slaap alles, mijn aanwezen zelfs, dat ik tog zonder vreugde gevoel, vergeeten! o! Karel! als de slaap des doods mij deezen matten rusttrek eens vervulde, en het graf mijn kommerloos leger wierd! - o! dan zal ik alle onrust vergeeten; misschien is dit wel de laatste brief, die gij van mij krijgt; die gedachte maakt mijn gevoel wakker; zoo dit dus weezen mogt, vaar dan wel, dierbaare vriend! tot wederziens, boven de starren!

terug  begin  verder