Bemind te worden, en te beminnen, is tog waarlijk eene behoefte voor een gevoelig hart; wanneer dit hart dierbaare voorwerpen, die het vervullen, missen moet, dan hecht het zig aan kleiner, en dan krijgen geringe, bij andere welligt ongeachte wezens eene aanmerkelijke waarde voor het zelve: daar ik geen moeder, geen' vriend, noch iemand in wien mijn hart heel veel belang neemt, rondom mij vind, daar is mij de liefde van den vreemden neger onuitspreekelijk veel waardig; en zelfs de trouw van mijnen Cheri is mij dierbaar: och! hoe veel heeft dit goede schepsel met mij geleden! de droevige oogen, de klaagende toon, waarmede het zijn medelijden omtrent mij scheen te wil-
len uitdrukken, wanneer hij, met zijne beide pooten aan het bed staande, mij aanzag, roerden mij dikwijls; maar het geen Violet mij naderhand van hem berichtte nog meer: denk eens, Karel! hij wilde zig geen oogenblik van mij verwijderen; om mij dan door zijne tegenwoordigheid niet lastig te zijn, lag hij meestijds in eene moedelooze mijmering, met den kop op zijne pooten leunende, onder mijn ledikant, en scheen daar het lot van zijnen meester te willem afwachten; geen zijner gewoone genoegens wilde hij genieten, terwijl ik leed; hij at niets, maar vertoonde door zijn gestadig drinken de angst, die hem om mij bezielde; en waarlijk, zijn lot maakte mij somwijl al mede droevig; ik verbeeldde mij hoe dit goede, trouwe dier, na mijn verscheiden, verlaaten kwijnen zou; hoe niemand zijne trouw loonen, hoe hij mij overal zoeken, mijn afzijn beklaagen, en eindelijk op mijn graf zijn sterfplaats vinden zou: o! lach niet, Karel! met deeze hondelijke vriendschap! gij moest eerst een vreemdeling geweest zijn, en in een hond een' reisgenoot, ja dikwijls een trouwen beschermer gevonden hebben, om mijne gewaarwording voor Cheri te kunnen beoordeelen: gij weet tog dat ik nooit een laffe dweepachtige jonge was, die op overdreevene gevoeligheid, of het zoogenaamde sentimenteele eenigen prijs stelde: maar, wars van alle verwijfde tederhartigheid, was
manlijke kloekmoedigheid, altijd mij in den jongeling, bekoorelijk; doch natuurlijk menschengevoel, al ware het omtrent geringere voorwerpen, heb ik even zoo zeer, als wezenlijk den adel van onze natuur vergrootende beschouwd, en in mij opgekweekt; hoe uitgelaaten was zijne vreugde toen ik de eerste keer het bed verliet! hij likte mijne handen - kwispelde met zijn' staart; en sloeg, met onafgewende oogen, alle mijne beweegingen gade - slingerde het zoo lang door hem geweigerde brood, uit mijne handen gretig in; volgde mij, toen ik over de kamer wandelde, langzaam na, en werd, met mijne beterschap, allengs weêr vatbaar voor zijne voorige vreugde: zeker, haddet gij dit alles gezien, Karel! dan zoudt gij mij voor ondankbaar houden, wanneer ik minder prijs op de trouw van dit goede dier stelde, en als ik ook om zijnentwil niet blijde ware met mijne herstelling; ondankbaarheid was juist nooit een trek van mijn karakter; zouik dit dan alleen voor den verdienstelijken Cheri zijn? met wiens gemis een zeer groot deel van mijn Americaansch geluk sterven zou? - laat uw edel hart dit beantwoorden.
Mijne gezondheid groeit van uur tot uur aan, en zal, hoop ik, wel rasch zijne voorige sterkte bekomen; mijne sombere zwaarmoedigheid is geheel verdweenen; mijne krachten beginnen fris-
scher, en mijne beweegingen ligter te worden; de dampkring, waarin ik adem, schijnt geheel onbeneveld, even als de zwoegende en smachtende Natuur, na een zuiverend onweêr, en na eenen koelenden regen, op nieuw herleeft; even als het glanzende loof, en de geurige bloem, die den wandelaar verkwikking toeademt, zoo ben ik; mijne levenssappen beweegen zig evenrediger in hunne buizen; het bloed vloeit sneller door mijne aderen, en welhaast neem ik mijne bezigheden weder bij de hand, en hoop door verdubbelden ijver mijne schade te vergoeden.
O! wat is God goed omtrent mij! hoe veele sterke jongelingen vielen aan mijne zijde, en ik werd weder opgericht, en mijne jeugd als vernieuwd! o misschien, Karel! om nog eens, weenend, aan uwen hals hangende, te zeggen: ‘o! God! ik dank u voor zoo veel vreugde.’