terug  begin  verder
[p. 327]origineel

XIX.

O! Karel! hoe blijde ben ik, niet alleen om mijnen, maar ook om zijnen wil, dat de goede Violet in mijne handen gevallen is, daar hij ten minsten het ongeluk dat hem trof, merkelijk minder dan elders gevoelt; hoe hard was het lot van den braaven jongen, tot hier toe! dat zult gij met mij gevoelen wanneer ik u deszelfs treurige verwisseling mededeel.

 

Ik begin de negertaal nu magtig te worden, en heb mij daarin met Violet, die mij dikwijls in mijn kamer bezocht, al spreekende geoefend: ik vroeg hem naar zijne voorige levensomstandigheden - zijne ouders - zijn Land; en uit de ongekunstelde natuurlijke antwoorden op alle die vraagen, kan ik u dit kort aaneengeschakeld verhaal mededeelen, dat u, zoo wel als mij, met eenen spreekenden traan in uwe oogen zal doen zeggen: welk een hardheid!

 

Hij is de zoon van een welgegoed Africaan; woonde aan den oever van de rivier Senegal; zijne ouders waren rijk in kudden, die de vruchtbaare weiden in de nabuurschap van hunne wooning afgraasden; zij bebouwden zoo veel lands, als zij tot gerief van hun talrijk gezin

[p. 328]origineel

noodig hadden; doch nimmer behoefden zij zig slaafsch aan eenen harden arbeid overtegeeven, daar de dankbaare grond hunne minste moeite met eene milde vruchtbaarheid beloonde; hunne eenvoudige, maar vreedzaame hutten, stonden in de schaduw van grijze Cocos- en andere boomen, en onderlinge vrede en het stil geluk woonden in dezelven: liefde, door de Natuur gewrochte, en door geene voorschriften geleide liefde, verbond onderling hunne harten, en zij waren gelukkig door eenvoudigheid: in deezen rustigen levensstand, had Violet omtrent den ouderdom van tien jaaren bereikt, en zijne kindsche dagen waren, in vollen nadruk, in kommerloos genoegen weggevlogen, toen hij, geheel onvoorbereid voor zijn volgend ongeluk, een gantsch ander lot ondergaan, en, te midden van zijne vrolijkheid, met anderen zijner speelmakkers, het rampzalig offer van wreede roofzucht en helsche gierigheid worden moest.

 

Het was op eenen zeer heeten dag, zijne moeder was met zijne ouder zuster naar het land om Mais te plukken, zijn vader was met twee van zijne broeders op de jagt; hij alleen, en een nog jonger broeder, waren bij de hut gebleeven, en vermaakten zig in het speelen onder den lommer der hooge boomen, die voor dezelve stonden, tot zij, geheel verhit van hunne vreugde, de koelte van een bad gin-

[p. 329]origineel

gen zoeken: juist niet ver van hunne woning verwijderd vloeide een smalle rivier, met kronkelende bogten, door hunne gezegende landstreek: de bewooners derzelve gingen zig hier dikwijls baaden; en nu kwamen deeze vrolijke speelmakkertjens hier ook verkwikking en koelte zoeken: naauwlijks waren zij hier gekomen, of een sterkgespierde, afschuwlijke neger, die tot eene andere natie dan zij scheen te behooren, en wiens haatelijke gelaatstrekken hen deeden sidderen, naderde hen, nam Violet en zijnen broeder onder zijne armen: terwijl het jong gezelschap hen angstig nagilde, en het geroofde broederpaar dit met een droevig geschrei beantwoordde, snelde deeze wreede menschen-rover, voldaan over het wèlgelukken van zijn haatelijk doel, en gejaagd door eene angstige schuwheid, met deeze onnozel verraschte kinderen, als een bliksem voord, voerde hen door digte bosschen en akelige kronkelpaden langs geheel onbekende wegen, heen, tot zij, in den avond, aan eene zeer afgelegene eenzaame Neger-hut aankwamen, om daar te vernachten: hier hoopten zij eenen bekenden, ten minsten een mensch te vinden, die hun ongeluk bejammeren, en hen weder tot hunne ouders voeren zou; maar een zeer ijdele hoop! de bewooner deezer hut was gewoon aan die tooneelen, en deelde zelf in de voordeelen, welke deeze snoode roverij bezorgde: de morgen van een nieuwen dag ver-

[p. 330]origineel

rees naauwlijks, na een zoo troostloozen nacht als deeze knaapjens nog hun leven lang niet gekend hadden, of het gevoel van hun ongeluk, dat zij in de bedwelming van eenen akeligen droom, mogelijk half vergeeten hadden, verrees op nieuw, om hen geheel wanhoopig te doen worden; het monster dat hen van gelukkige kinderen in rampzalige slaaven herschapen had, was onbeweegelijk voor hunne klagten, voor hunne traanen, voor hun vleien, en vervorderde zijnen weg door geheel onbekende toepaden, en zwarte bosschen, tot zij eindelijk aan een zeestrand kwamen waar zij de mast van een schip zagen rijzen; het was een slaavenhaalder, aan wiens godloozen opzichter zij verkocht, en wiens eigendom zij zoo onrechtvaardig als wreed werden, terwijl hun droevig ongeluk hen hoe langer hoe ijsselijker aangrimde: nu werd de donkere kuil van dit schip hun onrein verblijf, of liever hun akelige kerker; en hier vonden zij reeds eene verzameling van ongelukkigen, die, op deeze of op eene andere onrechtvaardige wijs, van hunne vrijheid beroofd, hier gekomen waren, hun lot vervloekten, en hijgden naar den dood: en het getal dier ongelukkigen groeide nog dagelijks aan, tot eindelijk de menigte zoo groot werd, dat hun verblijf, door gebrek aan ruimte, door benaauwde hitte en onreine uitwaasseming, hun tot een stinkend graf werd, waar zij het lot van het vee dat hun vader bezat, dui-

[p. 331]origineel

zendmaal benijdden: nu gevoelden zij al het gewigt van hun rampzalig noodlot met eene ondragelijke kracht: hoe verder zij zig verwijderden van hunne vaderlandsche kust, des te meer groeide de kinder- en broeder-liefde in hun hart aan, en het terug denken aan hunne vreedzaame hut, stille landhoeve, en de droefheid van hunne beroofde ouders, martelde hen nog veel meer dan de wreede behandeling welke de ontmenschte gierigheid des Capiteins hen deed lijden.

 

En verbeelden wij ons de akelige smart deezer ongelukkigen, die zoo eensklaps uit hun vreedzaam kommerloos leven in de zwarte diepte van zulk een vertwijfelend noodlot nedergezonken waren; die zig van alles beroofd vonden, wat hun hart dierbaar was, en van alles omringd wat hen deedt lijden, en griefde; geen wonder zeker, dat zij, meer dan ééns, eene poging deeden om zig zelven van het hun haatelijk geworden leven te berooven; de zee bood hun hiertoe gelegenheid aan; zij wilden zig in dezelve nederstorten; doch de wreede Capitein bemerkte dit voorneemen; hunne boejen werden verzwaard, en men bewaakte hen naauwkeuriger: wanneer zij, door verdriet of angst, of door afkeer van de slechte spijze welke men hun aanbood, voedzel weigerden, dwong men hen met slagen tot eeten, op dat zij zig niet mogten dood hongeren: zoo handelden menschen

[p. 332]origineel

met menschen! wiens hart krimpt niet in één van akeligheid? en nogthans doet de levendigste in de plaats stelling ons maar zeer flaauw gevoelen wat deeze ongelukkigen zelven leeden.

 

En wat zullen de van kinderen beroofde ouders gevoeld hebben! hoe veel smart zal de, van haaren akker t'huiskomende moeder, hoe veel spijt en woede den van zijne jagt weêrkeerenden vader, die welligt over zijnen voorspoed verblijd was, het hart doorpriemd hebben, toen zij de hut ledig vonden, en toen de achtergeblevene speelmakkertjens hun berichtten van het lot hunner kinderen! hoe angstig zullen zij gezocht, hoe medelijdend hen beklaagd hebben! hoe veele traanen van jammer en liefde zullen in die hut gevloeid zijn, op de grievende voorstelling van het harde lot deezer ongelukkige kinderen!

 

Maar wat zegt al die smart nog bij het lijden van de ongelukkige broeders, toen zij, na eenen akeligen overtogt, in den doodsbenaauwden kerker, het vreemde Land naderden, waar hun slaafsche arbeid eerst recht beginnen zou, en dat zij met zoo veele bange zuchten tegengilden! toen zij hier, even als dieren, maar met minder barmhartigheid, te land gesleept, door eene menigte nieuwsgierige oogen, uit welke geen enkelde straal van medelijden schoot, bezien, van wreede handen betast, en aan den

[p. 333]origineel

meestbiedenden verkocht werden; toen het ongelukkig lot deeze goede kinderen, Violet en zijnen broeder, die in elkaêrs genegenheid nog hunnen eenigen, schoon zwakken troost vonden, wreed vanéén scheidde, en hen, in weêrwil van de vuurigste beden, om bij elkander te mogen blijven, wreed, aan geheel verschillende meesters deed te beurt vallen, die hen zoo ver vanéén verwijderden dat zij nooit weder iet van den anderen hoorden! onbegrijpelijke wreedheid! en zij die dezelve bedrijven, heeten Christenen!

 

Violet viel eenen redelijk goeden meester in handen, die, schoon hij ongevoelig ware voor zijn ongeluk, hem evenwel zijnen zwaaren arbeid met genoegzaam voedzel beloonde: vier jaaren sleet hij in zijnen dienst, die hij niet alleen wegens eenen moejelijken arbeid, waartoe zijne jeugd niet was opgeleid, maar meer nog door een verborgen lijden, door een smachten naar zijn vaderland, zijne ouders, zijne hut, zijne broeders en zusters, en door de onkunde van het lot zijns medeongelukkigen broeders, als zoo veele eeuwen wegkwijnde.

 

Doch nu, zedert hij mijn eigendom geworden is, gevoelt hij zijn lot onbegrijpelijk verzacht; en zijn lijden verdwijnt nu hij een hart vindt dat 'er gevoelig voor is, belang in hem neemt, en dat, schoon hij zijn meesters, echter ook

[p. 334]origineel

zijne menschen-waarde gevoelt; dit verzoent hem met zijn noodlot, en hij wordt weder vatbaar voor vreugde: die goede jongen! dit alles zeide hij met een gelaat, dat zoo veel oprechtheid als edelheid van gevoelens vertoonde: waarlijk deeze jongen, al is hij slaaf en ik Heer, kan mij in mijne vreemdelingschap eene verzachting geeven, en mij eenigzins tot eenen vriend worden; hij kan ten minsten een enkel bloemtjen van genoegen op mijn eenzaam pad stroojen; dit is reeds veel voor mij, en dit zal hij vooral doen, wanneer het mij gelukken mag zijn verstand meer optehelderen, en hem denkbeelden van den waaren Godsdienst te geeven, die ook Negers gelukkig maakt; met hem ten minsten zal ik op eenen voet kunnen omgaan, zoo als men schaars met Negers doen kan, wil men den toom des gezachs niet uit de hand verliezen, en van onderworpene slaaven geene rebellige wreekers van hun onrecht maaken: 'er behoort wijsheid toe, zegt men, om recht geschikt met deeze wezens omtegaan, en hen onder gehoorzaamheid te houden; en dit geloof ik wel; maar wie kan deeze ongelukkige, deeze mishandelde menschen veroordeelen, wanneer zij poogen hun hard juk afteschudden, en het recht te herneemen, dat de Natuur ook aan hun schonk, de vrijheid? ik zeker niet!

 

Op dezelfde of eene andere even zoo noodlot-

[p. 335]origineel

tige wijs als Violet en zijn broeder, worden millioenen vrije Negers tot slaaven; dit doen Christenen, die zeggen den Godsdienst van Jesus te eeren, en den rechtvaardigen God verbrijzelt hen niet, door den donder zijner almagt! o! wanneer zullen belijders van het Euangelium des vredes eens ophouden, geweld en verwoesting in de menschen-wereld te zaajen? wanneer zullen 'er zachtere tijden voor deeze onderdrukte volken verschijnen, en zij ademscheppen van de mishandelingen, welken men hun doet lijden? o! komt gelukkige eeuwen, waarin menschlijkheid en recht heerschen! verrijs, edele vrienden der menschheid, die door uwen invloed het recht der volken beschermen kunt! zaait geluk onder menschen, en vernietigt de slavernij.

terug  begin  verder