Welke eene aangenaame omwending in mijn lot, lieve Karel! had ik mij dit durven voorstellen dat mij in 't Land mijner vreemdelingschap zulk eene weldaad zou te beurt vallen? ik rekende ten minsten nooit anders, dan door den langduurigen arbeid mij den weg te zullen moeten baanen tot dien zegen: ‘dien zegen, zeg ik, maar die is nog verre af en onzeker! dit zelfs
zou mij tot een ongeluk worden kunnen: doch wanneer zulke eene onverwachte gunstige omstandigheid, mij verder nog niets goeds zou doen hoopen, dan moest ik Reinhart niet zijn. Mogelijk, zoo denk ik nu, dat de God mijner ouderen, door eenen dubbelen voorspoed aan hunnen zoon te geeven, hun alle de rampen vergoedt, welke zijne wijsheid hun liet overkomen; de blijdschap ten minsten tekent mij die aangenaame beelden voor mijnen geest - doch laat ik u bedaard verhaalen wat eigenlijk haar voorwerp is.
Ik ben de eigenaar geworden van een aanzienlijk stuk Lands, mij door eenen vriend geschonken: dit leezende, slaat gij uwe heldere oogen wijder open; de hartlijkste blijdschap schiet 'er, onder de verwondering, welke daarin spreekt, straalen uit, en gij juicht mij ‘geluk!’ toe: ik zelf Karel! ik ben geheel verwondering - ik sta als verstomd, en de traanen van dankbaarheid en vreugde die langs mijne wangen rollen, en mijn ten hemel geslagen blik vraagen slechts: wat zal ik God vergelden? maar hoor, lieve Karel! de kleine geschiedenis van mijne opkiemende voorspoed: o! mogt dezelve tot eenen schoonen boom opgroejen, onder welks schaduwrijke takken mijne dierbaare moeder eene rustige zegenvolle grijsheid genieten mogt! dit geeve de hemel! en gij, goede Karel! gij wenscht dit met mij!
Geheel van mijne ziekte hersteld, volbragt ik eene lang uitgestelde reis naar eene afgelegene Plantage, die de Heer **** mij had opgedragen; van alle de kleine genoegens die mij op dit reisjen ontmoetten; van den aangenaamen invloed dien de geheele Natuur en alle de verwisselende voorwerpen, op mijn geheel gezond, verfrischt ligchaam, en mijne nu ook vrolijker ziel hadden; van het streelend voorgevoel van een toekomstig geluk, dat mij zoo aangenaam om het hart trilde, van dit alles spreek ik thans niet; het doet niets tot de zaak; ik moet u slechts den planter van La bonne esperance, die bij den eersten aanblik door zijne interessante phisiognomie mij geheel innam, doen kennen; zulke edele menschlievende gelaatstrekken, zulke oogen, waaruit zo veel goedheid en hulpvaardigheid straalden, een zoo schrander voorhoofd, met één woord, een mensch, wiens geheele houding en gelaat zoo veel betekenden, had ik op deeze geheele kust niet gevonden; mijn hart vloog den onbekenden tegen, en eer mijn mond hier iets van zeide, verraadden mij mijne oogen, die, staarende op hem bleeven hechten even of zij zeggen wilden: ‘Hier vind ik eene edele ziel;’ en waarlijk, ons gevoel was wederkeerig; hij had geen minder welgevallen in mij, dan ik in hem; zijne gulhartige taal, houding en benaaming, alles verzekerde mij hier van; en in de vorschende blikken die zijne spreekende oogen telkens op mij
wierpen, las ik de vraag: ‘Jongeling wie zijt gij?’
Na eenige onverschillige gesprekken gewisseld, en aan het oogmerk van mijne komst voldaan te hebben, werden wij allengs guller en gemeenzaamer, en het discours interessanter: eindelijk verhaalde mij de goede man: ‘In mijne jeugd had ik eenen schoolvriend dien ik zeer hartlijk beminde, doch wij moesten elkander te vroeg, helaas! verlaaten, om elk naar zijne stad wedertekeeren! zijn verblijf was te *** het mijne te ***; de verre afstand van die plaatsen deed alle verstandhouding tusschen ons ophouden; dikwijls onderzocht ik naar hem, doch nimmer hoorde ik iet van zijn lot; maar hem vergeeten heb ik nooit’ - dit zeide hij met vochtige oogen, Karel! - ‘en gij, lieve jongen! gij hebt zeer veele trekken in uw gelaat, die de zijnen gelijken; hoe is uw naam? welke uwe geboorteplaats? wie is uw vader?’ - ik antwoordde hem op alles, en het bleek waarlijk, dat mijn dierbaare overledene vader, die vriend was, dien ik aan deezen man herinnerde: welk eene weerzijdsche blijdschap deeze ontdekking baarde, kunt gij u verbeelden, lieve Karel! vooral wanneer gij u in de plaats stelt, van den tot nog toe vriendloozen Reinhart: de braave Edelhart was blijde, den zoon van den geliefden speel-
genoot zijner jeugd voor zig te zien; en ik was het nog meer, in den edelen man, welken mijn hart zoo hoog schatte, den vriend van mijnen vader, en nu den vereerder van zijne nagedachtenis te vinden, en door mijne gelijkheid aan dien vader zijne genegenheid tot mij te trekken: door al zijn belangneemend onderzoek geroerd, verhaalde ik hem de lotgevallen van mijnen vader, de tegenspoeden, met welke hij lange jaaren geworsteld had, en die eindelijk zijne dagen geëindigd hadden; ik verhaalde hem den toestand van mijne moeder, en het oogmerk mijner reize naar dit gewest: edele traanen glinsterden bij dit bericht in zijne oogen, en een hart te vinden, dat dezelve kon weenen, was mij eene aangenaame schat: ik gevoelde dat die man, in weêrwil van den afstand die de jaaren en het lot tusschen ons stelden, mijn vriend was: wij spraken nog veel over de wisselvalligheid der wereldsche dingen; over de ijdelheid van naarstigheid en vlijt, als een ongunstig noodlot ons tegenwerkt; over het schoone van eerlijkheid en braafheid, ook dan, als zij ons nadeelen berokkenen, en de voorkeur welke de lijdende deugd, boven eenen door onrecht verkregenen, of door naberouw verpesten voorspoed altijd behouden zal: wij herdachten gebeurtenissen, die voorbij zijn: al wat ik zeide, verstond hij, en elk zijner woorden toonde die edele denkwijs die zijn gelaat mij versproken had. O!
hoe zoet was het mij mijne zoo lang opgeslotene gevoelens hier eens te kunnen lucht geeven, en iemand te vinden, die waarlijk belang in mij nam: de jaaren, de verouderende luchtstreek, mogen al het hevige vuur dat bij mij nog helder gloeit, in Edelharts boezem verdoofd hebben, de waare belanglooze vriendschap woont daar tog, en zoekt bij hem zoo wel een geschikt voorwerp om daarop te werken als bij mij - waarlijk ik verliet deezen man met moeite, vooral, daar ik geen' kans zag, hem zoo rasch weêr te zien, als mijn hart dit begeerde; want dat ik hem rasch daarna als mijnen weldoener zou wederzien, dit kon ik nog minder droomen: ik nam dan afscheid, door eene mengeling van aangenaame en onaangenaame aandoeningen geroerd, hij gaf mij zijn heusche hand, drukte de mijne vriendschaplijk, en beloofde mij aan dezelve zijne beste hulp, in de bereiking van mijn oogmerk: ik, aangemoedigd door deeze belofte, ging vrolijk terug, en dankte den Hemel zeer hartlijk voor deeze ontmoeting, die, zonder alle aangenaame gevolgen, voor mij een wezendlijke weldaad zou geweest zijn.
Maar hoe veel meer werd zij dit toen ik veertien dagen daar na dit briefjen van zijne hand ontving! lees het afschrift, Karel! en gevoel hoe uw vriend bij deszelfs ontvangst moest te moede zijn:
‘Ik heb een stuk gronds, tot een Catoenplantage geschikt, en reeds gedeeltelijk daartoe aangelegd, voor u gekocht - na het overlijden van derzelver voorigen bezitter, bleef zij toevallig eenigen tijd onbewerkt, en aan zig zelve overgelaaten, liggen, en zal daarom een dubbelen arbeid vorderen; doch aan ijver en moed zal het u niet ontbreeken: twaalf negers, om u daarin behulpzaam te zijn, zult gij bij mij vinden: door vlijt en overleg met God's zegen gepaard, kunt gij hier met den tijd uw fortuin maaken, en uw edel kinderlijk oogmerk bereiken: kunt gij het geschoten geld, zoo ik dit ooit behoefde, van uwen overvloed eens terug geeven, dan is het wèl; maar wilt gij het als een geschenk dat u mijne achting voor uwe braafheid verzekert, aanneemen, dit is mij nog aangenaamer, en het denkbeeld dat ik een lieven verdienstvollen jongeling voordhelp, dat ik den zoon van eenen vriend mijner jeugd het goede vergelden kan, hetwelk zijn edelmoedige vader mij zou hebben willen doen, is mij meer dan genoegzaame belooning - zijt voorspoedig braave Reinhart! en wees te vreden over
uwen
edelhart.’
Ik las dit briefjen Karel! mijn hand beefde, mijn hart sloeg, en ik schreide van vreugde; mijn geheele ziel was getroffen door een zalig gevoel van God's vaderlijke zorg voor mij, zwervenden vreemdeling: knielend dankte ik eerst die goedheid, en ontlastte daarna mijne volle ziel aan mijnen edelmoedigen weldoener: en zeker als afgebrokene woorden, half uitgedrukte gedachten de kentekens van waar gevoel zijn, dan zal mijn brief den grootmoedigen Edelhart verzekeren, dat zijn gunsteling waarlijk geroerd is door zijne belanglooze vriendschap; eerlang reis ik naar hem toe, en ga zijn geschenk eens opneemen; dan schrijf ik u weder.