Aangenaamer en vrolijker traanen dan die, waarmede ik den dierbaaren grond, op welken de weldaadigheid van eenen onbekenden mij het recht van eigendom schonk, besproeide, vloeiden nimmer langs mijne kaaken; aan zijne zijde zettede ik hier mijne eerste treden, en het gevoel wat hij, wat God's voorzienigheid, die tog de harten der menschen tot alle edele daaden neigt, aan mij deedt, maakte mij peinzend en stom: ik kan het naauwlijks gelooven, dat ik zoo een aanzienlijk eigendom in een vreemd land
bezit, en dit denkbeeld geeft mij zeker eene tot nog toe onbekende verbintenis aan het zelve.
Hoe de naam der Plantage te vooren was, weet ik niet, maar ik zal haar, en om haare aangenaame ligging, en om de levenswijs, die ik op dezelve denk te hebben, den liefklinkenden naam van L'heureuse solitude geeven: gevalt u die naam niet wel, Karel? heeft hij niet iets charakteristieks? brengt hij u de genie van zijnen eigenaar niet voor den geest? voor mij ten minsten luidt hij zeer lief; de hoop bezielt dien toon, en hij wordt harmonie.
Zij ligt nog drie uuren ver van La bonne esperance verwijderd, in de meest gezonde streek der Colonie, daar land- en zee-winden, die de lucht koelen, en de kwaade dampen verdrijven, beiden eenen ongehinderden toegang hebben; zij ligt zoo nabij aan de zee, dat ik het gedruis der golven, bij onstuimig weêr, en de vreugdeschoten der inkomende vaderlandsche schepen, zeer wèl zal kunnen hooren: al weder eene nieuwe verdienste van dit hoekjen lands, voor een' smaak als de mijne.
Hoekjen lands, zeg ik, doch deeze verkleinende benaaming, zou u welligt een valsch denkbeeld van deszelfs uitgebreidheid geeven, hetwelke nogthans die van uw Kommerrust overtreft, en zoo
groot is dat ik geene mogelijkheid zie, om het zonder eene menigte Negers binnen verscheidene jaaren bebouwd te krijgen; het is niet meer dan begonnen, het schijnt vruchtbaar, maar vertoont ook veele merktekens, dat de hand, welke hier de beschaving der woeste Natuur begonnen had, reeds lang in het stof des doods rustte.
'Er staat nog geene ordentelijke Planters wooning; maar eene eenvoudige houten hut is vooreerst ook een goed verblijf voor mij; en een paar ligt opgeslagene hutten heb ik gezien, schoon de ingenomenheid met het geheel mij deed vergeeten haare sterkte en geschiktheid waarteneemen; doch zij zullen ligt in staat zijn om mij en mijne weinige Negers zoo lang te herbergen, tot men betere toericht; eerlang hoop ik dezelve te betrekken; en zeker het zal mij niet moejelijk vallen, eenige kleine genoegens en gemakken opteofferen, voor dat genoegen, dat onafhangelijkheid, en arbeid voor mijn eigen fortuin, mij geeven zullen, en dit ten minsten zal mij hier te beurt vallen.
Ik hoop dat 'er eerstdaags een schip zal afzeilen, 't welk u, en mijne lieve moeder deeze belangvolle tijding kan overbrengen, en tevens de tederste groet van uwen en haaren Reinhart.
Einde van het eerste Deel.