Hoe moede ook van zwaaren arbeid - want ik vertoon thans dagelijks een sloovenden timmerman - moet ik evenwel de pen weder opvatten, om mijn verhaal te vervoorderen: aan een dikken ruwen plank, welke tot mijn tafel dient, val ik even neder: mijn inktkoker.... doch neen, hier nog niet van: hut, en hut-gereedschap, beschrijf ik u nader; verplaats u nu nog eerst eens, met mij, op dit verblijf, eer de hut aanwezig was, toen Verlaatenheid en Ledigheid haare treurige voetstappen hier overal gedrukt hadden, en de melancholie in mijn hart deeden stroomen.
Reeds zeer vroeg in den morgen stapte ik, met mijn volkjen, weêr in de boot, en nam eenig gereed hout, dat mijn buurman mij overdeed, met mij, zakte de kreek af, en kwam veel gemoedigder dan ik het den voorigen avond verliet, op L'heureuse solitude aan: toen wij
daar aankwamen, rees de zon boven de kimmen; en de vrolijke glans van dat weldaadig licht scheen alle de treurige verwoesting en doodsche verlaatenheid, en met dezelve alle de schimmen van zwaarmoedigheid, uit mijne ziel wegtejaagen, en het vergenoegen op alles te doen rusten; nu had alles eene andere, eene veel lachender gedaante; de woeste bosschen, die op den achtergrond lagen, scheenen mij nu geheiligde schaduwen, daar ik, naa eenige toebereiding van deszelfs moerassigen grond, somwijlen de lieve somberheid zoeken zou: de hier en ginds verspreide troepjens boomen, zelfs de ongesnoeide vruchtboomen, hadden nu het air van gezellige vrienden, wier naderen omgang mijn genoegen zoude doen aangroejen; mijne vlugge verbeelding plaatste en schikte dezelve reeds in die orde en gedaante, waarin zij den meesten invloed op mijn genoegen en voordeel hebben zouden; zij liet mij reeds mijne wooning en de hutten mijner Negers rondom dezelve zien, en ik gevoelde iet geheel weltevredens, iet verbindends, dat de waarde van mijn ruim eigendom aanmerkelijk deed rijzen, en mijnen moed verlevendigde met mijne dankbaarheid: nedergezeten onder een' der boomen, vanwaar ik het geheele vak, dat de edelmoedigheid eens onbekenden mij geschonken had, kon overzien, roep ik in eene aangenaame verrukking uit:
O dierbaare grond! in uwen zwarten schoot is misschien een zeer waardige schat verborgen; misschien zal de troost, de rustige grijsheid eener tedere moeder, en het geluk van een ongelukkigen jongeling uit u oprijzen; misschien zal de vriend van mijn hart, die, op het andere halfrond, verre van u ademt, u nog eens dankbaar roemen, wanneer gij zijnen Reinhart gezegend tot hem doet wederkeeren; ten minsten ik zal u met het zweet mijns ijvers, en met biddende traanen besproejen: en Gij, goede, weldaadige Voorzienigheid! maak gij dit zweet en die traanen vruchtbaar; geef gij mij moed en krachten! zegen mijnen vlijt, bekroon mijne hoop, en laat dit verblijf mij een Bethel zijn!’ Dit dacht, dit bad ik, wanneer eene aangenaame hoop en stille dankbaarheid door mijn hart stroomden, en al mijnen werklust in beweeging bragten: ik zocht eene geschikte plaats tot hutten voor mij en mijn volk uit; wees hun hunnen arbeid, en sloeg 'er zelf mede de handen aan: een mijner negers was eenigzins in de timmerkunst bedreeven; en gij weet dat ik, als een kleine knaap, toen ik waarlijk weinig dacht dat die kundigheid mij eens zou te stade komen, uit enkelde nieuwsgierigheid dikwijls dat handwerk opmerkzaam aanstaarde, en 'er zoo veele denkbeelden van verzamelde, dat deezen mij nu, door de jaaren en het
verstand gerijpt, en door behoefte en vinding verder ontwikkeld, genoegzaam waren om mij tot een merkelijk nut te verstrekken, en de uitwerking van mijne plannen te bevoorderen: de meesten mijner slaaven waren gewillig en voordvaarende; zij scheenen door hunnen ijver mijnen moed te willen aanvuuren; zeker had mijn getrouwe Violet hun een zeer goeden indruk van zijnen meester gegeeven; ten minsten in hunne oogen sprak die angstige slaafsche vrees, in hunne houding, dat onwillige stugge niet, dat een angstige ontevredene ziel, die ik meestal in het neger-gelaat vond uitgedrukt, verraadde; 'er was iet vertrouwends, iet gewilligs, iet zoo zorgeloos afhangelijks, in hun gelaat, als of het zeide: ‘alle onze krachten zijn voor zulk eenen goeden meester veil;’ en waarlijk, zoo veel was 'er niet noodig, om de zachtste beweegingen in mijne ziel te veroorzaaken.
Doch hoe ik mijne slaaven behandel, vertel ik u hierna; nu gaa ik voord met mijn verhaal: gij weet reeds dat hun getal zes paar is, behalven Violet, die eigenlijk mijn lijfbediende, en bijzondere gunsteling is, die altijd met mij werkt, mij de hand biedt, en reeds vliegt wanneer ik denk; elk gaf ik bezigheid naar zijne krachten; de ligtste zijn voor de vrouwen: voor haar had ik in de tuinen genoegzaam werk, en liet
haar het hoog opgeschoten onkruid onder de Catoenboomen wegroejen; de rijpe, op den grond gestrooide, en aan de takken hangende vruchten inzamelen; met één woord, zij deeden al wat de behoefte het eerst vorderde; een van haar, moest voor mijnen maaltijd, en voor die der negers zorgen; zij moest de Maniokwortels uit den grond roejen, raspen, stampen, perssen, en dit tot een aangenaam brood, dat men Cassave noemt, bakken, 't welk mij het gemis van het vaderlandsche brood bijna vergoedt; en dit weltoebereid Cassave-brood, en een enkelde geroosterde Banaan-vrucht, met een angstig bezuinigd en duur gekocht stukjen hollandsche kaas, was het eenige voedsel dat ik, behalven de vruchten die meestal slechts mijnen dorst leschten, de eerste dagen gebruikte: het water der kreeken was mijn drank, maar ik vermengde het somwijl, doch zuinig, met een teug wijns, om mijne krachten tot den voordgang van een werk te vernieuwen, waar toe, zoo de Natuur het al gedaan hadde, de gewoonte ten minsten mij nimmer schikte: een breed getakte boom was mijne tent; een bemoste boomstomp mijn stoel; een plank mijn tafel; en het tegenwoordig vergenoegen, en het vrolijk uitzicht op de toekomst maakten alles goed en aangenaam. De negers verzamelden zig op den stam van eenen gekapten boom, en namen daar hunnen maaltijd vrolijk met elkan-
der; met één woord, deeze grond, daar mogelijk drie jaaren een tooneel van doodsche rust vertoond was, was nu enkel leven en werkzaamheid; en ten blijke dat mijne gewoone voordvaarendheid mij geheel bezielde, verkoos ik liever hier te overnachten, dan dat ik dagelijks, door het af- en aan-vaaren naar het herbergzaam dak van eenen nabuurigen Planter, een uur van de mij zoo dierbaaren tijd zou verliezen. Het branden van een stinkende harst, had ons gedeeltelijk van de hevigste woede der muskieten, of kleine vliegen, verlost; en om de tijgers bekommerde ik mij niet meer; ten minsten het spreeken over deeze dieren, had mij met het denkbeeld van hunne nabijheid eenigzins gemeenzaam gemaakt, en de gewoone middelen om hen afteweeren, kwamen mij in eene moedige luim genoegzaam voor, en ik besloot te waagen. Onder een troep hooge boomen, niet verre van het digte bosch verwijderd, welke breede takken eene rustige schaduw op den begroenden grond verspreidden, en waar ik geene tekenen van wild gedierte bespeuren kon, koos ik het nachtverblijf voor mij en mijne negers uit. Onze hangende nachtlegers alleen door de stof onderscheiden, het mijne van gevlochten Catoen, dat der slaaven van ruw linnen, werden hier onder aan de takken der boomen vastgemaakt, en derzelver bladen waren ons dak; een vaderlandsch winterkleed was mijn
eenig dekzel voor de nachtkoude, die hier vrij sterk en vochtig is: hier legde ik mij gerust in neder, en dacht niet verder over den invloed dier vochtige nachtlucht, die zelfs binnen de wooningen voor niet genoeg gedekte ligchaamen zeer schadelijk is, en wier nadeelen hier onder den open hemel zoo veel meer te vreezen waren, doch 's morgens bij mijn ontwaaken gevoelde ik mijne leden, in plaats van uitgerust, mat en stram; ik schreef het aan de vermoejing van den voorigen dag toe, evenwel philosopheerde ik niet lang daar over, maar zocht die matheid door nieuwen ijver te verdrijven, en ging den volgenden nacht mijnen voorigen gang.
Om evenwel dit slaapvertrek der Natuur zoo aangenaam en zoo veilig te maaken, als ons mogelijk ware, brandden wij daar - geen nachtkaars; zulk een zwak en schemerend lichtjen zou de akeligheid der donkerheid slechts vergroot hebben - maar een groot vuur van dorre rijzen en spaanders, welke de negers bij dag hiertoe verzamelden; bij dit licht verminderde de huiverige zwartheid van een hol bosch, door welks loof ik geen eenzaame star kon zien flonkeren, en het moest tevens tot een afschrik verstrekken voor het woest gedierte, dat in deszelfs schaduw zig verborg; meer dan ééns - en hoe duidelijk zal mijn Karel dit verstaan - ging ik met een rilligen kommer in mijne hangmat
nederliggen, en, staarende op de beweeging der rustlooze vlam, dacht ik aan de gevaaren die mij dreigden, aan de vijanden die mij onder zoo veele verschillende gedaanten, van vliegende, viervoetige, en kruipende gedierten omringden, en mijn avondgebed werd met eene hartlijke zucht tot dien Wachter opgezonden, die nooit sluimert, en die het schadelijkste insect, en den bewaarenden Engel, beiden gebiedt: zoo al peinzende, overviel mij de bedwelmende slaap, waarbij ik alles vergat: ‘de slaap,’ zegt Salomon, ‘is den arbeider zoet, hij hebbe veel of weinig gegeeten;’ de ondervinding leerde mij thans, dat hij waarheid sprak; en wanneer de eerste schemering van den dageraad, nog maar met een flaauwen glans, in mijn nachtlijk slaapvertrek doordrong, eer de vogelen nog ontwaakten, eer de eenzaame Tacco zijn eentoonig geroep hooren deedt, en de wormen tot zijn morgenontbijt van de boomen kwamen pikken, ontwaakte ik reeds, riep mijn volkjen op, dronk een warme kop coffij tot mijn ontbijt, en begon dan mijn werk weder, waar ik het den voorigen dag gelaaten had.
Op deeze wijs hadden wij in korten tijd de noodige hutten voor mij, en voor de Negers, en eene bergplaats voor de Catoen, volbouwd; het nette, het sierlijke, het ruime, en verkwistende was aan alles gespaard; maar al wat de nood-
zaakelijkheid en duurzaamheid vorderden aan niets vergeeten.
Doch eer ik u eene nadere beschrijving van deeze hutten doe, moet ik u een ongeluk verhaalen, dat mij - God zij gedankt! - slechts bijna bejegend was: bijna, lieve Karel! was ik, geheel onschuldig, de moordenaar van een mijner beste Negers geworden; ik, die zoo gaarne al wat mij omringt, gelukkig maak; die het lijden van een schepsel niet zien kan, en de dood van een schadelijk insect zoo veel mogelijk bekort, ik zou het leven van een mensch vernield, en zoo de trouw van een onschuldig wezen vergolden hebben! denk eens, Karel! welk een' afgrond van spijt en lijden ik voor mij zelven zou gegraven hebben, en hoe onnozel! Verbeeld u mijn geval - in eene, en wel de laatste, van die donkere nachten, die wij, vóór de voltoojing onzer hutten, in het bosch doorsliepen, werd ik op ééns, midden uit mijnen gerusten slaap, wakker; ik hoor een akelig geluid; in de eerste bedwelming der halve ontwaaking, verbeeldde ik mij dat dit niets anders was dan het gekerm van een hagedis of ander insect, dat zig in de holen van een brandenden boomstam verscholen had, en zijnen onverwachten dood tegenklaagde; of dat het een geloei van een roofvogel was, die zijn spijs in vogelnestjens of
wormenholen kwam zoeken: maar meer ontwaakende, hoorde ik zeer duidelijk het geloei van eenen tijger, wiens akelige toon, door den naklank van het holle bosch, in den stillen, doodschen nacht, als van boom tot boom voordrolde, en ontzettend herhaald werd: ons vuur was, door welk een toeval weet ik niet, uitgedoofd; en nu had het anders schuwe dier, de stoutheid van zeer digt aan onze legerplaats te durven naderen; zijn schrikverwekkend gehuil klonk reeds in eenen zeer nabuurigen boom; en ik verbeeldde mij al dat het wreede schepsel langs zijne takken afklouterde, mij vond, en zijne verslindende klaauwen in mijn vleesch slaan wilde; hoe angstig trilde mijn adem! hoe joeg mij 't hart! en aan elk mijner hairen hingen zweetdroppels; de donkerheid van den nacht voedde mijne benaauwdheid, doch zij maakte mij evenwel niet werkeloos: ik riep mijne Negers op, beval hun hunne geweeren te neemen, nam zelf een gelaaden donderbus, en schoot hem op het voorwerp, dat mij in de donkerheid voorkwam de tijger te zijn, af; en, Karel! dit was juist mijn arme Neger - bukkende, beloerde hij het roofdier, en de Natuur had hem met een hairiger vel bekleed, dan zij anders aan menschen geeft; hierdoor misleid, lag ik op hem aan, en, dank zij God's goedheid! dat mijne hand het moordtuig niet gelukkig bestuurde, om doodlijk te treffen, en mijn arme Neger
met eene zeer lichte wonde vrijkwam: de tijger intusschen scheen, door 't gedreun van de schot bevreesd, de vlugt genomen te hebben, ten minsten, wij hoorden hem niet meer; en ik, hoe vuurig dankte ik God! - mijn volk maakte het vuur weder aan; een hunner bleef daarbij waaken, en, daar de nacht, naar de gedaante van den starrenhemel, slechts ten halven verloopen scheen, ging ik met de overige Negers nog eenigen tijd ter rust, zeer verheugd, dat onze nu bijna voltooide hutten, ons, naa een ijverig dagwerk, een beter verblijf voor den volgenden nacht zouden aanbieden.
O Karel! hoe aangenaam is het, in elke omstandigheid van ons leven, God's bewaaring op temerken! hoe liefderijk heeft zijn vaderöog mij, armen jongeling, in dit geval, daar zelfs, waar onbedachtzaamheid mij in gevaaren wikkelde, bewaard en gered!
Welke geruste nachten sleet mijn Karel, op zijn zacht gepluimd leger, terwijl zijn Reinhart, aan zoo veel ongemak en gevaar blootgesteld, de kommerlooze zachtheid zijner Europesche nachten vergat: doch zoude ik u die rust benijden! neen, mijn beste! geniet ze al uw leven, geniet ze met uwe Charlotte; droom somwijl eens van uwen eenzaamen vriend, die in zijne kleine hut de rol van eenen Solitaire vol-
maakt wèl speelt, en, mat van zijnen volbragten dagtaak, naar zijn hangend nachtleger verlangt.