Even eenvoudig als mijn geheele levenswijs, is ook mijne kleeding; zij heeft niets vaderlandsch meer aan zig, dan de reinheid, die ik altijd beminde; heel veel had ik juist nooit met mijne kleeding op; den petit-maître vond ik zoo vernederend voor mijne sexe, dat ik om hem bloosde, en het verstandige meisjen dat hem verachtelijk aanzag, eerbiedigde ik; maar, 's Lands wijs, 's lands eer: ontijdig den philosoof uittehangen, scheen mij ook verwaandheid; ik volgde, zoo als gij weet, de gewoonte, en speelde nooit den zonderlingen; nergens stak ik uit, en beminde de netheid en evenredigheid; doch nu, nu bestaat mijn geheele dosch meestal uit drie stukken; een bont geruite, tot op de voeten neêrhangende muskietbroek, een soortgelijk hemd, en, als de hitte dit draagelijk maakt, een kort luchtig rokjen van dezelfde stof daar over; en het komt niemand in den zin, deeze zuinigheid in eenen jongen Planter te misduiden: in dit opzicht zijn, over 't ge-
heel de zeden nog onbedorven; het slechtste gewaad, in zoo ver het geen laag karakter, maar alleen den zuinigen ijver vertoont, kan geen inbreuk maaken op de achting, welke men elkanderen toedraagt.
Doch bij meer plechtige gelegenheden, of wanneer men in het gezelschap van Dames verschijnen zal, dan vordert de etiquette van dit Land ook eenige onderscheiding, en men siert zig dan eenigzins op: ook deeze gewoonte volg ik getrouw na; leg dan mijne bonte kleeding geheel af, ik steek mij in het schuldeloos bevallig wit, en zou dan, al heeft geen friseur mijn hairen gekapt, zelfs voor een' Vorst kunnen verschijnen; doch ik voor mij, heb hier nog geen vrouw gezien, die mij de zucht tot eene bijzondere netheid, om haar te gevallen, inboezemde, zoo als mij te vooren om een of ander vaderlandsch meisjen wel eens in den zin schoot; en over 't geheel vind ik te weinig smaaks in den omgang der Colonisten, en ben te zuinig op den tijd, om mij heel dikwijls in deeze gelegenheden te bevinden.
Hoe zou ik u tog wel in mijne tegenwoordige gedaante bevallen? ik geloof nog al wèl; gij zoudt ten minsten zien, dat uw vriend zijn woord, 't welk hij zijne moeder gaf, na-
komt, en zijn grootste roem stelt, in voor haar te ijveren.
Heugt het u nog wel, Karel! hoe wij in de lieve jaaren onzer kindschheid ons met het leven van Robinson Crusoe vermaakten; hoe veele avonden 'er in dat boek gesleeten werden, als wij om te speelen bij elkander waren, met in onze verbeelding naast den ongelukkigen, maar vindingrijken vreemdeling, over het woeste eiland te dwaalen; rotsen te beklimmen, wilde huisdieren tam te maaken, en schadelijke roofdieren te vellen, hutten te bouwen, vruchten intezamelen, was ons veel liever dan spel; alleen zijn hairig kleed, en vooral die toornachtige muts, die zoo veel stuursheid aan zijn ernstig gelaat bijzettede, die gevielen ons niet, en wij zouden hem, ware zulks mogelijk geweest, gaarne verkapt hebben; maar ja, zijn romanesk woonoord, dat geviel ons beiden; wij zonderden al het verdrietige, al het behoeftige, al het sombere van zijn verblijf af, en wilden gaarne in de lieve gezelligheid onzer vriendschap wel twee Robinsons weezen; mijne neiging vooral, helde hiertoe over, en gij, om uwen Reinhart niet te verlaaten, vielt hem toe, en rekendet in 't eind met mij, dat wij, bij 't gemis van allen menschlijken omgang, aan elkander en de woeste Natuur genoeg zouden hebben;
maar Karel! toen viel het ons niet in, dat wij elkander eens zouden moeten verlaaten, en dat uw vriend, zoo ver van u af, alleen eene soortgelijke rol speelen zou; dat hij op zijne eenzaame landhoeve - och! die naam klinkt nog zoo vaderlandsch! die wil ik meermaals bezigen - zig jaaren lang - en welligt voor altijd - met uw aandenken zou moeten getroosten; en hoe gelukkig, dat wij dit toen niet wisten! hoe veel schuldlooze kindervreugd zou dan verpest, hoe veele lieve avonden vol kommerloos genot, zouden met eenen donkeren nevel bedekt geweest zijn! hoe zouden onze jonge zielen reeds geleden hebben in de jaaren van genot! O gelukkige, zorgelooze, geen onheil voorspellende leeftijd van zuivere onvermengde vreugde! gij, helaas! vliegt met onze kindschheid weg, en wij zien u nimmer weêr! de jongeling grijpt vergeefsch naar uwe schaduw - maar bereikt hem niet - en zucht: neen, Karel! het toekomstige lag toen met een digten sluiër overdekt, en het lot mijner ouderen was nog verzegeld voor mij en voor u.
En nu, nu ben ik hier, en wil mijn deel niet beklaagen; het kon geheel anders, en tog nog niet hard zijn: geen schipbreuk bragt mij op een woest eiland; ik behoef op geen onherbergzaamen grond, in doodsche eenzaamheid, mijne jeugd wegtekwijnen; neen, op de kust
waarop ik leef is Natuur mild; mijnen arbeid beloont zij, en ik geniet haar, omringd van medemenschen; maar dit is tog ook waar, eenen vriend vond ik hier niet; dit is ook waar, een onervaaren jongeling, die op ééns de eigenaar wordt van een onbebouwden grond, welken hij moet aanleggen en beplanten tot het meeste voordeel, moet zeker, zal hij in zijn oogmerk slagen, iet van de vinding, den geest en den moed van Robinson bezitten; en misschien heeft moeder Natuur mij, daar ze mij vormde voor mijn lot, daarvan niet geheel ontbloot; denkt gij dit wel, Karel? wees evenwel daarop gerust, waar ik hem ook mogt kunnen navolgen, een zoo hairig kleed, een zoo haatelijke muts, zal nooit de leden bedekken van uwen Reinhart.