Misschien, lieve Karel! zal het denkbeeld al eens in u zijn opgekomen, dat uw vriend zoo ongemerkt mede is ingewikkeld in de onrechtvaardigheid van het recht der menschheid te verkrachten, waaraan hij, voor weinige maanden, met zoo veel huivering dacht: deeze gedachte zou ik in mijnen Karel niet dulden kunnen; en het is daarom, dat ik u nog iet, omtrent de Negers zeggen moest: geloof mij, Karel! mijn ziel gevoelt over dit onderwerp, bij het bezit van eenige slaaven, nog even zoo, als toen ik voor het eerst over hun dacht; en wanneer ik niet zeer zeker overtuigd ware, dat ik veel meer tot het geluk, dan tot de ellenden van deeze menschen medewerkte, dan zou mijn
hart geen vrede hebben; doch nu ik dit weet, en daarbij overtuigd ben dat ik, met den besten wil, in de omstandigheden zoo als zij nu zijn, hen niet gelukkiger kan maaken, nu beschouw ik hunnen staat van de gunstigste zijde, en dan kan mij de slaaf, wien het lot eenen goeden meester toewees, niet zoo geheel ongelukkig meer voorkomen.
Ik moet hunnen staat niet bij den mijnen, noch bij honderd andere middenstanden, maar bij den vaderlandschen daglooner vergelijken, en waarlijk dan wint de Neger het ver: hij mist, 't is waar, zijne vrijheid, den besten schat des levens; maar is de vrijheid die den armen daglooner geniet meer dan een enkele naam? een naam die dienen zou om hem meer ellendig te maaken, zoo hij daarover nadacht; zou hij die vrijheid niet wel willen missen, en dan in gezondheid en ziekte met zijn geheel huisgezin voor rekening van eenen goeden meester zijn? dit nu is het geval van zulk eenen slaaf; en 't is daarbij altijd het belang van den meester dat hij den slaaf wèl doet; voor een dagwerk, berekent naar zijne krachten, leeft hij kommerloos, smaakt op zijne wijze het geluk der liefde en des huwelijks, ziet zijn huisgezin aangroejen, zonder dat ooit een zorgvuldige traan bij de gedachte: ‘Hoe zal ik dit onderhouden?’ zijn zacht genoegen vergalt; hij weet integendeel dat deeze zijne
vreugde, zijne waarde bij den meester doet rijzen; is hij ziek, de arts geneest hem, en zijn heer draagt de kosten; en daarbij, al zijn tijd is niet voor zijnen meester; elke dag heeft zijne rustuuren, en, na zes dagen trouwen dienst, is de zevende hem een dag van vrijheid en vreugde, en, al zingende en speelende, vergeet hij zijn ongeluk; doet de ouderdom zijne krachten verminderen, dan wordt zijn werk naar dezelve berekend, en voor werklooze grijsheid, is genadebrood zijn deel - vergelijk nu bij hem den vaderlandschen daglooner: deeze verteert alle zijne krachten in den dienst van eenen vreemden; de brandende hitte en de nijpende koude moet hij, welligt in het zelfde schamele kleed, dat altijd zijn vermagerd ligchaam bedekt, afwachten; terwijl zijn loon voor dit alles veel te gering is, om den nooddruft van zijn huis te vervullen: keert hij na eenen zwaaren arbeid, des avonds, moedegesloofd, naar zijn laage hut, of grotächtige vervallene wooning, over welke Zwaarmoedigheid haare graauwe vlerken heeft uitgespreid, weder, dan vindt hij niets, als eenen zeer soberen disch, een hard leger, en des winters een smeulend vuur van de vochtige rijzen, die zijne om hem heen beevende kinderen, bij den weg verzamelden, en zit met de zijnen te huiveren, aan zijnen ledigen haard, terwijl hij misschien wel vraagen moet: ‘Wat zal ik eeten? wat
zal ik drinken? wie zal mijne kinderen kleeden?’ - wat is hem in dien toestand zijne vrijheid? kan hij die gevoelen? is het niet oneindig beter door een goeden meester, dan door de armoede beheerscht te worden? en steekt dan het geluk van den negerstaat boven 't zijne niet uit? wie weet hoe veele slaafsche boeren in Duitschland en Polen den landbouw van hunne onderdrukkende heeren wel zouden willen ruilen voor de kommerlooze slaavernij der negers, die eenen goeden meester toebehooren.
Maar hoe geheel zonder plan heb ik u zoo uitgebreid met de behandeling van mijne slaaven onderhouden; nu, dit zij zoo: gij ziet hier uit dat noch luchtstreek, noch voorbeelden, de denkwijs, noch het hart van uwen Reinhart veranderd hebben: door hunne hutten ben ik op hen zelven t'huis gekomen, en heb intusschen vergeeten onder dezelve u nog ééne hut te vertoonen, die het digtst bij de mijne staat, en welke men de Combuis noemt: dit is de keuken, waar mijne spijs wordt toebereid: een, aan pracht en weelde gewoone Hollander, die nooit anders dan zijne marmer bevloerde kookkamers, met blinkende fornuisen zag, zou bij 't gezicht van deeze ellendige Combuis, en haare zwarte bestuurster, wel vraagen: ‘Eet men hier ook smaaklijk?’ en zag hij dan mij, met mijne
gewoone graagte dien wenk der Natuur voldoen, dan riep hij gewis verwonderd uit: ‘Gelukkige tevredenheid!’