Mijne levenswijs heeft tog al heel veel van het aartsvaderlijke, niet waar Karel? 't is waar, Catoenboomen te planten, dat was juist hunne zaak niet; maar ook zij, verlieten hun vaderland; ademden op eenen vreemden grond; woonden onder boomen en tenten; hadden slaaven en slaavinnen: ook zij waren geheel vreemd van hoofschen pracht en weelde, en genoten een stil geluk in den schoot der zuivere Natuur; in dit alles gelijkt mijn stand aan den hunnen: voor 't overige was hun rijkdom eene menigte van vee, en de mijne bestaat in boomen, in eenen welbebouwden vruchtbaaren akker, wiens inkomsten het zweet van zijnen eigenaar beloonen.
Maar 'er is tog iet, waarin mijn lot zig geheel van 't hunne afscheidt: gij raadt reeds wat ik bedoel, en zucht voor uwen vriend; de oude herders hadden lotvriendinnen, die hunne zwervende vreemdelingschap verligtten; die alle de genoegens van hun herdersleven met hun genoten; die, gevoelig voor hunne moeite en vreugde, lief en leed met hun deelden; lotvrien-
dinnen, die de ziel van hun aanzijn, en de troost van hun leven waren; Abraham bragt zijne schoone Sara met zig; Izaak liet zijne schrandere Rebecca tot zig voeren; en Jacob ging zijne lieve Rachel in eenen afgelegen oord zoeken; zag, en beminde haar op een oogenblik; en gevoelde den last van een zevenjaarigen slaafschen herderdienst, om harentwil niet; de enkele bewustheid dat hij haar hart bezat, en het streelend genot van haare tegenwoordigheid, die hij dikwijls zoo gul en onschuldig in het veld genieten mogt, maakten al de plekjens, waar hij zijne kudde weidde, waar hij dezelve in de donkerheid bewaakte, zoo aangenaam, dat hij geen leed gevoelde; dat hij de hitte die hem dag aan dag verteerde, en de koude die hem nacht aan nacht verkleumde, niet gewaar werd, maar altijd, door de hoop van haar eens te bezitten, oogenblikken in de lange jaaren vond, die deezen stond van hem verwijderden; o Karel! hoe veel zou zulk een uitzicht, zulk een gerekte hoop, ook op mijn hart uitwerken! maar hoe hemelsbreed is hier de afstand van mijn en het aartsvaderlijk geluk! ik heb geen Sara, geen Rachel bij mij; en, tot in het verst verschiet, zie ik geen schaduw die mij haare toekomst, zelfs na een lang tijdverloop, belooven kan; mijn staarend gezicht eindigt hier nu in een nachtlijk donker; en geen straaltjen van hoop speelt daar op eenig
schemerachtig verschijnsel dat mijne verwachting kan bezig houden: het is immers u niet vreemd, Karel! dat die gedachte somwijl eens in mij opkomt; en al wat ik denk of gevoel deel ik u mede: doch gij moet u daarom niet voorstellen dat die gulle mededeeling de ademtocht van een pijnlijk lijden is; daarvoor beware mij God! ik heb tot nog toe al te veel vermogen op mijn ziel, te veel liefde tot mijne rust, om deeze vlugöpkomende gedachten natehangen; ik kan tot nog toe de bezitting van eene deugdzaame echtvriendin als het grootst geluk des levens beschouwen, zonder te sterk, door de begeerte om dit geluk zelf te bezitten, gepijnigd te worden; ik kan de ongenoegens die hetzelve vergezellen ook nog berekenen; en mijne tevredenheid in dit gemis bewaaren; dus wordt de dankbaarheid welke mijne tegenwoordige omstandigheden vorderen, niet vergeeten.
Laat ik mij liever nog eens herinneren, welke aangenaame, zachte aandoeningen, die vreedzaame herdertooneelen, welke Moses aftekent, reeds op mijne kinderlijke ziel hadden; mij heugt nog, hoe ik, als eene kleine jonge, pas zoo groot, dat mijne zwakke handen naauwlijks in staat waren om den huisbijbel te draagen, terwijl de moeite die mij dit kostte zig nog lang daarna op mijne gloejende wangen
vertoonde; hoe ik toen reeds naast mijne moeder stond, en, met eene onschuldige nieuwsgierigheid het leven der vroome herders nazocht; hoe ik, zoo ver eene kinderlijke verbeelding zig de dingen kon voorstellen, hen navolgde in hunne kleine togten en legeringen; hoe ik hen de draagbaare hutten zal opslaan; met hun in vreedzaame dalen woonde; en op hangende heuvelen de talrijke kudden weidde; met hun in de schaduw der boomen at, en op het groene veld mij neêrlag om te slaapen, reeds toen geviel mij de gulle gastvrijheid, en de eenvoudigheid der herderlijke zeden, en ik wenschte dan nog de eerste jeugd der wereld terug; honderd vraagen, die mijn bedwelmd kinderverstand mij ingaf, deed ik dan aan mijne moeder, welke de lieve vrouw mij allen, met zoo veel zachte goedheid, en minzaam geduld, naar mijne vatbaarheid, beantwoordde, dat ik haar nooit zonder eene zekere voldaanheid verliet.
Die lieve eenvoudigheid, die edele onschuld, die toen de wereld zoo bevallig maakte, is tog voor altijd verlooren; en met dezelve de waare rijkdom en 't geluk; de weelde heeft ons naderhand arm gemaakt, en behoeften doen kennen, die men toen niet had; thans moet men, om verachting te ontwijken, een vreemd geluk in onbekende oorden gaan zoeken; onze voldaanheid moeten wij afbedelen van nietig goud;
en het geluk, de genoegens die zig rondom ons verschuilen, erkennen wij niet; zij zijn voor ons dood: ellendige weelde! tot nog toe is dit land niet zoo geheel als mijn vaderland onder haar gebied; maar zal het wel lang van dien looden schepter bevrijd blijven, onder welken de geheele beschaafde wereld zucht? o mogt zij nimmer op deeze arbeidzaame volken rusten, en de kalmte van tevredene harten verstooren! mogt nooit de toeneemende ouderdom van deeze volksplanting de eenvoudigheid van haare jeugd vernielen! en vooral mogt deeze lieve eenvoudigheid mijn hart, welk lot mij ook treffen moge, altijd blijven bezielen, en de eerste wending aan alle mijne daaden geeven! daarvoor zal ik den hemel als voor de grootste weldaad danken.