terug  begin  verder
[p. 92]origineel

XVI.

Dagelijks neemt mijn grond in orde en waarde toe; ik breid mijn catoen-plantsoen telkens uit; en heb een geheel vak jonge cacauboomen geplant, en 'er maniokstruiken tusschen gevoegd, welken door hun weelig loof het jong cacouboomtjen voor de hitte der zonne moeten beschaduwen; gij kent immers al die gewassen uit andere beschrijvingen? anders teken ik u dezelven bij nadere gelegenheid eens nauwkeuriger af: ook heb ik verscheidene akkers met mais of turksch koorn bezaaid, om genoegzaam voedzel aan alle de bevolkers van Solitude te kunnen leveren; ik zelf liet dikwijls van dit voedzaam koorn mij een smaakelijk brood bakken; en de Negers lusten het ook - Mijn moestuin begint ook eene vrij vaderlandsche gedaante te krijgen, levert mij reeds eenige, en belooft mij nog veele andere vruchten: de regentijd heeft veel goeds aan al haare voordbrengzels toegebragt, en, om ook in drooge tijden, de kwijnende gedaante, zoo veel mogelijk, te verminderen, heb ik hier een trens door dezelve gegraaven, welke als een

[p. 93]origineel

zachte beek daar door kronkelt, door haar helder nat mij in mijnen zweetenden tuinarbeid, dikwijls den dorst lescht, en zelfs alleen door den enkelden aanblik, alreeds verkwikt en koelt - wat is toch liever dan waterbeeken in een dorstig land? en dit is Zuid-America, in de drooge tijden, in vollen nadruk; op meer plaatzen zal ik soortgelijke beekjens formeeren, en mij daardoor ergens in een digtbelommerd hoekjen een klein Paradijs bouwen.

 

Verscheidene van mijne plans in het aanleggen der ledige vakken van mijn' grond, zijn reeds aanvangelijk volbragt, en ontwikkelen zig dagelijks nog verder; van de korte, en eenigzins vervallene boomenrei, die ik hier vond, heb ik, door aanplanting en invulling, eene lange trosche evenredige laan van verschillende vruchtboomen, gemaakt, wier gedaante, geur en geruis mij eens.... maar neen ik zal u niets van den aanleg, en nog minder van mijne hoop daaromtrent, melden, voor dat alles zijne werking doen kan - Natuur, die in alles voorspoedig voordgaat, zal welligt ook mijn oogmerk behulpzaam zijn, en mij, mogelijk wel binnen kort, reeds eenige vruchten van mijnen arbeid doen genieten. Alleen dit moet ik nog zeggen: aan 't einde van die laan moet dan de wooning liggen, wier toerich-

[p. 94]origineel

ting mij nu voor den geest begint te zweeven; zij zal 'er zeker zeer vrolijk geplaatst zijn; mij dunkt ik zie haar reeds liggen, niet als een kasteel, maar eenvoudig, als eene bekwaame evengenoegzaame landwoning; zij lacht mij reeds vriendlijk aan, en ik denk: ‘Welk een lief verblijf!’ - Evenwel, hoe bevallig dit ideaal wezen moge, zij zelve is nog ver te zoeken; haare bouwstof ligt nog wijd van elkander verspreid; een gedeelte van dezelve rust in mijn eigen grond; ik heb daar een' hoek gevonden welke zeer goede steenaarde heeft, deze zal ik een paar Negers leeren bearbeiden, en het andere gedeelte, het hout, moet ik boven in de Rivier haalen, en staat nu welligt nog gedeeltelijk te groejen in de nachtlijke bosschen, die daar het moeras der eeuwen beschaduwen; dus merkt gij wel, mijn vriend, dat 'er weêr een Robinsons moed zal noodig zijn om uit deeze verstrooide deelen een geschikt geheel te maaken, en een verblijf toetestellen, voor 't welk ik mijne tegenwoordige hut met vrolijkheid verwisselen zal - ik zal zien wat de tijd geeft: nu slaat mijn klok, of liever nu wijst mijn zakhorologe, het uur der ruste aan, en het is mijne vakerige oogen welkom.

terug  begin  verder