Boven in de Rivier zoo als ik u laatst schreef, Karel! eenige dagreizen dieper landwaards in, daar de roode woeste inborelingen van dit gewest hunne dorpen, of gehuchten hebben, daar, zegt men, liggen ook onmeetelijke bosschen, waarop geen mensch recht heeft; waar de milde Natuur, die goede bezorgde moeder, een eindeloos getal gelukkige schepsels voedt en verzorgt; daar zij ook, bedacht op den nooddruft der menschen, een rijken overvloed kweekt om de behoeften van elk te vervullen - zeer veele Europeaanen, die jaaren lang in dit Land geweest zijn, hebben daarheen nog nooit hunne voeten gezet, en zijn geheel vreemd van de gedaante deezer streek: en ik, waarlijk ik ben blijde, dat de noodzaakelijkheid mij naar dien oord heen voeren zal, van welke anders ligt de zuinigheid op mijnen tijd, mij voor altijd zou verwijderd houden. Slechts van twee of drie Negers verzeld, zal ik mij daarheen begeeven; men zegt dat de Indiaanen welke daar woonen, voor eene maatige belooning van geld, of goederen, altijd willen behulp-
zaam weezen om de meest geschikte boomen aantewijzen, en die te helpen kappen; ook dat zij reeds gevallene boomen gereed hebben om die te verruilen voor andere waaren: men ontneemt mij alle vrees voor dit volk, en beschrijft ze mij als goedaartig, gastvrij, en rechtvaardig, zoo dat zij geene onschuldigen zullen beledigen, maar eene eeuwige wraak voor hunne vijanden voeden - doch hun vijand hoop ik mij niet te maaken; liever wil ik door een heusch gedrag, een onthaal dat zij gewoonlijk aan vreemdelingen bewijzen, verdienen - als ik weder kom zal ik mijnen Karel, zoo het zijne aandacht waardig is, mijne ontmoetingen verhaalen; vaar tot zoo lang wel, en reis met uwen Reinhart.