terug  begin  verder
[p. 170]origineel

XX.

Ik heb menig avonduurtjen, dat mij van noodiger bezigheid overbleef, doorgebragt, om u dit bijliggend pakjen afteschrijven: de herïnnering nogthans van mijne ontmoetingen gaf mij, onder de hand, een nieuw vermaak, en ik snipperde al dikwijls oogenblikken van mijn' slaaptijd af, die niet onbeloond bleeven.

 

Maar door al mijne volhandigheid heb ik nog niet eens tijd gehad om u mijne vreugde over de brieven die ik, t'huis komende, liggen vond, medetedeelen; zij was evenwel niet oppervlakkig; zij raakte mij aan het hart, Karel! en zou zij niet? de godvruchtige tevredenheid van mijne lieve, vroome moeder te zien, zou dit geen balsem in de wonden zijn welke de scheiding veroorzaakte? o! hoe veele aangenaame, kinderlijke gewaarwordingen doorstroomden mijn hart, toen ik haare ingenomenheid met mijnen ijver, met mijne plannen, met mijnen voorspoed bemerkte; toen ik daar las: ‘Haare traanen hebben God gedankt, die haar zulk eenen zoon gaf!’ zoet denkbeeld! traanen van blijdschap langs moederlijke wangen, in

[p. 171]origineel

welken de vooren van den kommer nog getekend waren te doen vloejen! maar ach, Karel! de lieve vrouw dankt mij voor iet dat mij veel meer zoet oplevert dan haar; zij noemt eene daad edel, die de Natuur leert, die uit de natuurlijke gesteldheid van mijn hart, welke zij zelve, door lessen en voorbeeld, zoo vormde, voordspruit, en die alleen een, de aarde onwaardig, schepsel zou kunnen nalaaten; ach! die dierbaare moeder! hoe veel ben ik haar schuldig! mijne gezondheid, mijne geheele denkwijs is immers middelijk haar werk; toen ik een hulploos wicht was, dat in zijne eigene behoefte zou versmacht hebben, koesterde zij mij met eigene handen, en vertrouwde mij aan geene gehuurde zorge toe; om mijnent wil, sleet zij moejelijke dagen en slaaplooze nachten; onttrok zig aan andere vermaaken, om dat zij het haare vond in eene moeder voor haare kinderen te zijn; moet het niet enkel genoegen, enkel edele wellust zijn, den tedersten kinderpligt aan zulk eene moeder te betoonen? zou dit geene vreugde op mijn eenzaam pad stroojen? zou de weldaad, die de Voorzienigheid mij bewijst, niet, voor de helft, haare waarde ontleenen uit de bewustheid dat mijne lieve moeder die met mij deelt? o ja, dat gevoel ik! dat zij mij dan nooit danke! dit wondt mijn hart; zeg haar dit! lieve Karel! ik kan haar nu hierop niet schrijven; 'er vertrekt een schip, en de tijd is

[p. 172]origineel

weg; lees haar alles voor en groet Charlotte van uwen Reinhart.

terug  begin  verder