Mijn geduurig hervat levensverhaal is eenige weeken geheel opgeschort geweest, door gebrek aan tijd; mijn plantage gaf mij veel werks, en mijne wooning niet veel minder; zij is nu bijna geheel volbouwd; het metselwerk heb ik ook zelf verricht: gij moest eens gezien hebben Karel! hoe het schootsvel mij stond: hoe vaardig ik met potlood, troffel, en kalkbak omging; mijne ruwe, door lucht en arbeid opgebarstene handen gelijken thans niet meer naar die, welke de ongekunstelde Julia eens welgevormd noemde: laat deeze herïnnering u geen' hoogmoed schijnen, want de lof van een lief meisjen was u immers te vooren ook niet onverschillig, Karel? maar evenwel kon dat zelfde meisjen mij, om die, door arbeid ruw gewordene handen, minder achten, hoe nietig zoude mij dan haare goedkeuring worden! die vrouw die ik zoek, die ik recht zou kunnen beminnen, zal bij mij naar waare verdiensten zoeken, en zig weinig bekommeren over mijne
gedaante, wanneer zij slechts geen laag, geen onedel charakter vertoont; ik zou anders waarlijk droevig worden, wanneer ik somwijl in een brok van een spiegel, dat ik tog zelden gebruik, de verandering van mijn gelaat bemerk; hij zoudt mij bijna niet meer kennen Karel! een slaafsche arbeid heeft mij geheel vermagerd, en ik ben geel gebrand door de zon; maar neen, gij zoudt mij wèl kennen; de grondtrekken bleeven onveranderd, en wanneer gij op dat verbrand gelaat kindertrouw getekend zaagt, zoudt gij dan uwen Reinhart niet herkennen? het zoo ligt vergankelijk schoon des bloejenden jongelings is van te kleine waarde om daar prijs op te stellen; wanneer maar niet de ondeugd dat vernietigd heeft; eene goede charaktertrek weegt ruim tegen hetzelve op; mag slechts het reine vuur der jeugd in mijne oogen blijven flonkeren, en mag mijn hart zig dagelijksch meer verbeteren, dan immers zal mijne gedaante nooit zoo afzichtelijk worden, dat zij een edel verstandig meisjen - zoo ik het ergens vinden mogt, - niet zou kunnen bekooren? en met zulk eene vrouw alleen, zou ik gelukkig zijn; maar waarlijk, lieve Karel! ik wenschte wel om mijner rust wil, dat dit denkbeeld mij niet zoo geduurig voor den geest maalde, dan zouden 'er zulke wondere sprongen niet in mijn' brief komen; want dat ik denk schrijf ik u -
ik was nu met een huis begonnen, en kom, eer ik het weet, op eene vrouw, die ik mij daarin wenschte, neder; de sprong is niet onnatuurlijk... maar ik keer tot het eerste weêr... doch neen... laat ik u niets van mijne wooning zeggen, voor zij geheel volbouwd is: maar iet van de oranjeboomen, in wier nabuurschap zij geplaatst is: deeze worden dagelijksch grooter, en verkwikken mij den geheelen dag door hunne geur; ik verbeeld mij reeds, hoe zij, wanneer ik in mijne volbouwde wooning, op een koelen avond eens rust geniet - mij, met elk windjen, nieuw leven zullen toeademen.
Wij zijn toch wondere schepsels; de hoop moet altijd ons geluk volmaaken; zij moet ons altijd een genoegen in het verschiet plaatsen, of wij genieten het tegenwoordige minder hartlijk; en hoe dikwijls, helaas! is dat genoegen, dat wij, door de hoop, in onze verbeelding genieten, grooter dan dat, 't welk het bezit eens schenken zal; dierbaare hoop! gij zijt het edelst goed, dat de weldaadige Godheid, in dit kommervol leven den sterveling gaf, tot een tegengift der rampen, die hem bestemd zijn; gij zijt het steunsel van 't gebouw zijns geluks; door u is de arme niet geheel beroofd, en geniet de rijke zijnen schat; door u lijdt de kranke minder; en de stervende juicht! neemen wij de hoop uit
het leven der menschen weg, dan is het niet meer dan geduurig sterven, dan smachtende ellenden; de hoop is ook mijn dierbaarst goed, en brengt mij somwijl eens in uwe armen weder; ten minsten, zij schildert mij 't bekoorelijk tafreel van wederzien met de bevalligste verwen af; en al wierd die hoop ook nimmer waar, dan nog geeft zij mij oogenblikken van zaligheid, die mijnen werklust en werkkracht vernieuwen.
Gij ziet, Karel! dat ik u zonder plan schrijf, dat ik slechts een oogenblik los voor u heen denk; vaar wèl tot ik dit weêr doe, wanneer 'er van mijne verstoorende bezigheden meer overschieten dan ik tot stil nadenken en het lezen van iets stigtelijks noodig heb; want ik wilde mij niet gaarne zoo verdiepen, in de woelingen des levens, dat ik, al plantende en bouwende, vergeeten zou dat 'er ook een tijd komen zal om aftebreeken en uitteroejen; daar vergankelijkheid tog het einde is van alle dingen.